Lessen vanuit het buitenland

In andere Europese landen, met name in Duitsland, hebben patiënten sneller toegang tot nieuwe medicijnen. Ook landen als Engeland, België en Frankrijk investeren veel in dit onderwerp. Een impressie.

Duitsland

Duitsland heeft een stelsel dat directe patiënttoegang garandeert na goedkeuring door het Europees Medicijn Agentschap (EMA). De Duitse wet verplicht vervolgens dat in een jaar tijd overeenstemming wordt bereikt over een vergoeding. Op basis van een vast stappenplan wordt bepaald of een behandeling toegevoegde waarde heeft ten opzichte van bestaande behandelingen. Bij het beoordelen van innovatieve behandelingen, zoals gentherapieën, maakt de Duitse zorgautoriteit gebruik van real-world data. Deze tonen de toegevoegde waarde in de praktijk aan.

Wat kunnen wij van Duitsland leren?

  • Het Duitse model kenmerkt zich door een zeer snelle toegang tot cruciale medicijnen en behandelingen. Duitse patiënten kunnen rekenen op de snelste toegangsprocedure in Europa (gemiddeld achttien dagen na EMA-goedkeuring). Bovendien wordt 98% van de therapieën na 1 jaar vergoed. Belangrijke eerste les is dat in Duitsland de snelle beschikbaarheid van geneesmiddelen voor patiënten zwaarder weegt dan de betaalbaarheid. Terwijl de prijzen er niet hoger liggen dan hier. Dit kan ook binnen het Nederlandse systeem worden vormgegeven, met behoud van een goede balans tussen betaalbaarheid en toegankelijkheid.
  • Omdat de beschikbaarheid van medicijnen de eerste prioriteit is, kan in Duitsland goed rekening worden gehouden met de resultaten van behandelingen. Het Duitse model zet het gebruik van real-world data hiermee maximaal in.
  • Een derde les betreft de plek van de onderhandelingen. Deze worden buiten de politiek gehouden. In Nederland zijn de toelating en prijsonderhandelingen dicht bij de minister en het Parlement georganiseerd.

België

In België gelden net als in Duitsland maximum termijnen voor het vaststellen van de vergoeding. De eerste fase duurt maximaal 90 dagen. In deze fase dient het geneesmiddelenbedrijf het dossier in, waarna wordt beoordeeld of het dossier compleet is. Zo nodig worden in deze eerste fase aanvullende vragen gesteld aan het bedrijf.
In de tweede fase, die ook maximaal 90 dagen duurt, formuleert een Rijksinstituut (RIVIZ) een financieel voorstel. Daarbij wordt ook gekeken naar de therapeutische meerwaarde van het geneesmiddel. Drie uitslagen zijn mogelijk: definitieve vergoeding, tijdelijke vergoeding of geen vergoeding. Daarna stuurt de CTG het voorstel naar de minister, die beslist.

Wat kunnen wij van België leren?

  • Een belangrijk verschil tussen het Nederlandse en Belgische systeem is dat er in België per fase maximum termijnen gelden. In totaal mag het vergoedingstraject maximaal 180 dagen duren. Als er aanvullende informatierondes of onderhandelingen nodig zijn, kan dit langer duren, maar er zijn dus wel standaardtermijnen per fase. In Nederland gelden geen vaste termijnen.
  • Tweede belangrijke les uit België is dat alle stakeholders vanaf het begin aan tafel zitten, inclusief een onafhankelijke toezichthouder. Dit bevordert de samenhang van besluitvorming en leidt waarschijnlijk ook tot snellere uptake van nieuwe innovatieve geneesmiddelen. In Nederland kennen we een oerwoud aan pilots, subsidieregelingen, sluis, protocollen en commissies. Van het transparante proces in België en in Duitsland kunnen we veel leren.