Het Amerikaanse beleid vormt een samenhangend geheel van drie pijlers. Om de consequenties voor Nederland goed te begrijpen, is het essentieel om deze in hun onderlinge samenhang te bezien.
De rekenmodellen GLOBE, GUARD en GENEROUS koppelen de prijs die de Amerikaanse overheid betaalt aan de laagste prijs in negentien OESO–landen — waaronder Nederland. GLOBE en GUARD zijn verplicht; GENEROUS is vrijwillig. Het eerste model start op 1 oktober 2026.
Via TrumpRx.gov kunnen Amerikaanse patiënten die contant betalen geneesmiddelen kopen tegen kortingsprijzen, direct van fabrikanten. Dit omzeilt de reguliere verzekeringsmarkt.
Via bilaterale handelsdeals, tariefdreigementen en de Great Healthcare Plan streeft de VS ernaar dat andere landen meer betalen, waarbij de meeropbrengsten naar de VS vloeien.
Op 19 december 2025 publiceerde het Centers for Medicare & Medicaid Services (CMS) twee verplichte prijsmodellen. Het GLOBE–model richt zich op geneesmiddelen die worden toegediend in ziekenhuizen en klinieken (Medicare Part B – het programma dat medische behandelingen dekt). Het GUARD–model richt zich op geneesmiddelen die via de apotheek worden verstrekt (Medicare Part D – het programma voor medicijnen op recept). Eerder, in november 2025, was al het vrijwillige GENEROUS–model gelanceerd voor Medicaid, de ziektekostenverzekering voor Amerikanen met een laag inkomen.
Alle drie de modellen werken volgens hetzelfde principe: CMS vergelijkt per geneesmiddel de prijs in negentien referentielanden en neemt de laagste als benchmark. Fabrikanten die meer ontvangen, moeten het verschil terugbetalen. Doen ze dat niet, dan volgt een boete van 125% van het verschuldigde bedrag. De negentien referentielanden zijn: Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Israël, Italië, Japan, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zuid–Korea, Zweden en Zwitserland.
Het is de bedoeling dat Nederlandse geneesmiddelenprijzen door het Amerikaanse Medicare–systeem worden geraadpleegd om de Amerikaanse vergoedingsprijs te bepalen. Als Nederland de laagste prijs heeft voor een bepaald geneesmiddel, kan die prijs de Amerikaanse benchmark worden. Dat verandert de onderhandelingspositie fundamenteel; niet alleen in de VS, maar ook in Nederland.
GLOBE richt zich in eerste instantie op dure geneesmiddelen in de oncologie, reumatologie, immunologie, oogheelkunde en endocrinologie met meer dan 100 miljoen dollar aan jaarlijkse Medicare–uitgaven. Het model start op 1 oktober 2026 en loopt tot en met 2031, met een nazorgperiode tot 2033. GUARD start op 1 januari 2027. Samen bestrijken ze naar schatting 42% van alle Medicare–verzekerden.
Het online platform TrumpRx.gov biedt bij lancering 43 geneesmiddelen aan, waaronder de populaire afslankmiddelen Wegovy en Zepbound. Het platform werkt niet als een webwinkel, maar als facilitator: patiënten zoeken hun geneesmiddel op, ontvangen een kortingscoupon die ze bij de apotheek kunnen inleveren, of worden doorverwezen naar de directe verkoopsite van de fabrikant. Bij de lancering zijn geneesmiddelen van de eerste vijf bedrijven die MFN–deals sloten beschikbaar: AstraZeneca, Eli Lilly, EMD Serono, Novo Nordisk en Pfizer. De overige bedrijven met deals volgen in de komende maanden.
Een cruciale beperking: TrumpRx is alleen bedoeld voor patiënten die rechtstreeks betalen. Wie een verzekering heeft, betaalt via de reguliere vergoedingskanalen doorgaans minder. Aankopen via TrumpRx tellen bovendien niet mee voor het eigen risico van een verzekering. De daadwerkelijke impact van het platform op de Amerikaanse geneesmiddelenmarkt is nog onduidelijk, maar het signaal is krachtig: de Amerikaanse overheid zet de laagste internationale prijs als publieke norm.
De deals die ten grondslag liggen aan TrumpRx zijn vrijwillig, maar niet vrijblijvend: fabrikanten die meewerken, krijgen drie jaar uitstel van de aangekondigde heffing van tot 100% op farmaceutische importen. Inmiddels hebben vijftien van de zeventien aangeschreven bedrijven overeenkomsten getekend. Alleen AbbVie en Regeneron hebben nog geen definitieve overeenkomst, al geven beide aan in gesprek te zijn met het Witte Huis.
De derde pijler betreft het streven om niet alleen Amerikaanse prijzen te verlagen, maar juist de uitgaven in andere landen te verhogen. De redenering: als buitenlandse prijzen stijgen, kan de VS haar eigen prijzen verlagen zonder dat farmaceutische bedrijven omzet verliezen.
Dit streven is verankerd in meerdere beleidsdocumenten. De Executive Order van 12 mei 2025 spreekt expliciet over het beëindigen van ‘global freeloading’ (het meeliften van andere landen op Amerikaanse innovatie–investeringen). De Great Healthcare Plan, gepresenteerd aan het Congres op 15 januari 2026, roept op tot het wettelijk verankeren van de MFN–deals. En de handelsovereenkomst met de EU van 27 juli 2025 bevat een invoerheffing van 15% op farmaceutische producten — een drukmiddel dat de VS inzet om fabrikanten en overheden aan tafel te krijgen.
Fabrikanten moeten hogere buitenlandse opbrengsten ‘repatriëren’ naar de VS. Zo staat in de deal met Novo Nordisk en Eli Lilly dat zij hogere buitenlandse omzet op bestaande producten moeten terugstorten aan de Amerikaanse overheid.
Dat dit beleid ook aan de overkant van de oceaan effect heeft, is al gebleken in het Verenigd Koninkrijk. Op 1 december 2025 sloot het VK als eerste land een bilateraal farmaceutisch prijsakkoord met de VS. De kern: het VK verhoogt de nettoprijzen die het nationale zorgstelsel (NHS) betaalt voor nieuwe geneesmiddelen met 25%. Concreet gebeurt dat door de drempel waartegen de effectiviteit van een geneesmiddel wordt afgewogen voor het eerst in twintig jaar te verhogen, en door de korting die fabrikanten achteraf moeten terugbetalen op hun omzet aan de NHS te verlagen. In ruil worden Britse farmaceutische exporten vrijgesteld van Amerikaanse importheffingen. Bovendien meldt de Britse overheid dat het VK ‘mitigaties’ heeft bedongen onder het Amerikaanse MFN–beleid, zodat Britse patiënten toegang houden tot de nieuwste behandelingen. Dit akkoord fungeert als blauwdruk: de VS zal vergelijkbare afspraken nastreven met andere landen.
Het MFN–beleid verandert de onderlinge dynamiek binnen Europa. Overal op het continent zoeken landen naar manieren om zich te verhouden tot de nieuwe realiteit, met uiteenlopende strategieën die stuk voor stuk gevolgen hebben voor Nederland.
Duitsland kiest voor een opmerkelijke innovatie in het eigen systeem. Daar kunnen fabrikanten sinds kort kiezen voor vertrouwelijke prijsstelling: de onderhandelde prijs wordt niet gepubliceerd, waardoor deze niet als referentie kan dienen in het Amerikaanse MFN–systeem. De keerzijde is een extra korting van 9% bovenop de onderhandelde prijs. Eli Lilly was in augustus 2025 het eerste bedrijf dat hiervan gebruik maakte, voor het GLP–1–middel Mounjaro. Het bedrijf accepteerde de extra korting om te voorkomen dat een publiekelijk lage Duitse prijs via het MFN–systeem de veel grotere Amerikaanse markt zou beïnvloeden. Dit illustreert een nieuwe werkelijkheid: bedrijven nemen al concrete beslissingen op basis van het MFN–beleid, met directe doorwerking naar de prijzen en beschikbaarheid in Europa.
Tegelijkertijd is er in landen als Zwitserland nauwelijks politieke ruimte om meer te betalen. De Zwitserse minister van Binnenlandse Zaken stelde onomwonden dat Zwitsers niet met hun zorgpremies mogen opdraaien voor Amerikaanse prijsverlagingen. En Canada, dat op de Amerikaanse referentielijst staat, implementeert gelijktijdig eigen beleid dat juist neerwaartse prijsdruk beoogt. Het land zit klem tussen twee onverenigbare systemen.
Nederland wordt door het MFN–beleid op meerdere niveaus geraakt en is door zijn specifieke positie extra kwetsbaar. Nederland staat op de referentielijst voor alle drie de Amerikaanse prijsmodellen. De Nederlandse geneesmiddelenprijzen kunnen daarmee onderdeel worden van het Amerikaanse prijssysteem. Uit cijfers van de Nederlandse Zorgautoriteit blijkt dat de uitgaven per patiënt aan innovatieve geneesmiddelen al dalen, terwijl het aantal patiënten stijgt. Nederland is kampioen kostenbeheersing. Maar voor een gemiddeld geneesmiddelenbedrijf vertegenwoordigt Nederland slechts circa 1% van de mondiale afzetmarkt. Als die 1%–markt de benchmark kan worden voor de grootste geneesmiddelenmarkt ter wereld, wordt de economische logica onhoudbaar.
Het MFN–beleid verandert de afwegingen voor bedrijven bij de introductie van nieuwe geneesmiddelen fundamenteel. Internationale prijsvergelijkingen gaan een rol spelen vóór marktintroductie: netto prijsniveaus in andere landen zijn al relevant op het moment dat bedrijven besluiten waar en wanneer zij een nieuw middel introduceren.
Voor Nederland kan dit betekenen dat nieuwe geneesmiddelen later beschikbaar komen, of dat fabrikanten terughoudender worden in prijsonderhandelingen. De keerzijde van het Nederlandse kostenbeheersingsbeleid wordt zo steeds zichtbaarder: bedrijven besluiten steeds vaker nieuwe middelen hier niet of later aan te bieden, en investeringen in klinisch onderzoek verschuiven naar regio’s met voorspelbaarder beleid.
Tegelijkertijd is er opwaartse druk op prijzen. Uit analyse van 46brooklyn, een onafhankelijk onderzoeksbureau voor geneesmiddelenprijzen, blijkt dat alle bedrijven die MFN–deals tekenden in januari 2026 de catalogusprijzen op 872 merkgeneesmiddelen verhoogden. Als de VS de laagste buitenlandse prijs als referentie hanteert, hebben fabrikanten een directe prikkel om die buitenlandse prijzen te verhogen. Voor het Nederlandse systeem, dat op zichzelf ook werkt op basis van internationale referentieprijzen, kan dit leiden tot een opwaartse prijsspiraal.
Tot slot verschuiven investeringen in productie naar de VS. De bedrijven die MFN–deals sloten, hebben gezamenlijk voor vele miljarden aan investeringen in Amerikaanse productiecapaciteit toegezegd. Dit zijn investeringen die dus niet in Europa terecht komen.
Het internationale geneesmiddelenprijslandschap is fundamenteel aan het verschuiven, en Nederland staat er middenin. De VIG constateert dat passiviteit geen optie is. De combinatie van Amerikaans referentiebeleid, internationale handelsdruk en verschuivende investeringsstromen vraagt om een actief en samenhangend antwoord, nationaal en Europees.
Het coalitieakkoord biedt daarvoor aanknopingspunten. Het kabinet omarmt het rapport-Wennink als leidraad voor een innovatieve economie en kiest ervoor om geopolitiek besef te laten doorklinken in alle beleidsterreinen. Dat is precies wat hier nodig is. Maar die ambitie moet consequent worden doorvertaald naar het zorgbeleid. De VIG noemt in dat licht een aantal overwegingen: