De voortgangsbrief van het ministerie van VWS aan de Tweede Kamer over financiële arrangementen voor geneesmiddelen laat zien hoe groot de spanning is tussen betaalbaarheid en tijdige toegang tot innovatieve geneesmiddelen. De VIG onderschrijft dat innovatieve geneesmiddelen verantwoord moeten worden ingezet en dat onderhandelingen en prijsafspraken daarbij nodig kunnen zijn om tot maatschappelijk aanvaardbare uitgaven te komen. Tegelijk laat de brief zien dat het beleid nog sterk wordt beoordeeld op uitgaven, kortingen en onderhandelingsresultaten. Voor patiënten telt niet het kortingspercentage, maar of een behandeling op tijd beschikbaar komt.
Financiële arrangementen zijn bedoeld om innovatieve geneesmiddelen verantwoord beschikbaar te maken. Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen betaalbaarheid en toegang. Die komt onder druk te staan wanneer onderhandelingen niet alleen worden gebruikt om een verantwoorde prijs te bereiken, maar zelfs om verder onder het niveau te komen dat volgens het Zorginstituut Nederland nodig is voor pakketwaardige vergoeding.
De Kamerbrief laat zien dat VWS de uitkomsten van prijsonderhandelingen vergelijkt met de kortingsadviezen van het Zorginstituut. Dat advies is geen vrijblijvende ondergrens. Via de gehanteerde kosteneffectiviteitsgrenzen geeft het Zorginstituut aan wat Nederland binnen de geldende maatschappelijke maatstaven bereid is te betalen voor gezondheidswinst.
Daarom is het opvallend dat in 2024 het mediane onderhandelingsresultaat 2,6 procentpunt scherper lag dan het kortingsniveau dat het Zorginstituut op basis van deze gedefinieerde maatschappelijke maatstaven adviseerde. Als onderhandelingen in de meeste gevallen tot een prijs onder dat niveau leiden, verschuift het systeem van verantwoord vergoeden naar maximaal en onverantwoord afdingen.
Binnen de huidige geopolitieke dynamiek komt deze praktijk nog nadrukkelijker onder een vergrootglas te liggen, zeker nu de VS met hun recent ingevoerde Most Favored Nations-beleid prijsreferenties hanteren. Daardoor kunnen de nettoprijzen in Nederland direct dan wel indirect van invloed zijn op de prijzen in de grootste afzetmarkt voor de geneesmiddelensector.
Dat heeft niet alleen consequenties voor afzonderlijke onderhandelingen in Nederland, maar ook voor de verwachtingen en lanceeroverwegingen van bedrijven. Hoe minder voorspelbaar Nederland is in de toepassing van eigen maatschappelijke maatstaven, hoe minder aantrekkelijk het land wordt als markt om snel – of zelfs überhaupt – nieuwe geneesmiddelen te introduceren.
Carla Vos, algemeen directeur van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen: ‘Als VWS in onderhandelingen geregeld onder het prijsniveau uitkomt dat het Zorginstituut adviseert, dan is dat geen technisch detail. Dan lijkt de betalingsbereidheid van de overheid lager dan wat volgens het eigen beoordelingssysteem maatschappelijk verantwoord is. Kostenbeheersing en scherp onderhandelen zijn legitiem, maar bij geneesmiddelen gaat het ook om gezondheid van patiënten. Als de overheid de broekriem disproportioneel strak aanhaalt, kan dat maatschappelijk onaanvaardbare consequenties hebben: patiënten wachten langer, of krijgen een behandeling helemaal niet. Dan betaalt de patiënt een disproportionele prijs.’
Weliswaar gaan bedrijven veelal uiteindelijk akkoord tijdens de onderhandelingen en spreken een financieel arrangement af. Maar daar gaan wel serieuze afwegingen aan vooraf. Niet akkoord gaan betekent in de praktijk dat toegang voor patiënten uitblijft en de sluis gesloten blijft. Dat brengt voor bedrijven niet alleen commerciële en reputatierisico’s met zich mee, maar vooral ook ethische dilemma’s: niemand wil dat patiënten langer wachten door systeemfalen of door een onderhandelingspraktijk die verder gaat dan wat maatschappelijk is onderbouwd.
Een korting is vooral maatschappelijk waardevol als die niet leidt tot latere toegang, minder beschikbaarheid of verlies aan gezondheidswaarde. Anders kan een bedongen korting op papier een besparing lijken, terwijl de samenleving uiteindelijk duurder uit is. Wat binnen het geneesmiddelenbudget als besparing wordt geboekt, kan elders leiden tot hogere zorgkosten, langer ziekteverzuim, verlies aan productiviteit of extra druk op mantelzorg en sociale zekerheid. Daarom moet het gesprek niet alleen gaan over de hoogte van kortingen, maar ook over de vraag wat latere of ontbrekende toegang kost.
Die vraag is urgent, omdat de doorlooptijden lang blijven. Voor intramurale geneesmiddelen die in 2024 in het basispakket zijn opgenomen, bedroeg de gemiddelde doorlooptijd bijna 22 maanden vanaf Europese markttoelating tot vergoeding in Nederland. In 2023 was dat zelfs ruim 26 maanden.
VWS noemt doorlooptijden terecht een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en leveranciers. De VIG onderschrijft dat, maar vindt dat onafhankelijk, inzichtelijk en openbaar moet worden onderzocht waardoor vertraging ontstaat. Het huidige dashboard doorlooptijden laat vooral zien wanneer een dossier wordt ingediend, beoordeeld en uitonderhandeld. Het laat onvoldoende zien welke procedurele, organisatorische en systeemfactoren daarbij een rol spelen, en hoe de verantwoordelijkheden per fase zijn verdeeld. Denk aan het samenspel tussen overheid, Zorginstituut, zorgverzekeraars, beroepsgroepen en bedrijven, en aan de manier waarop Nederlandse eisen en verwachtingen zich verhouden tot de internationale context waarin bedrijven hun lanceringsbesluiten nemen.
Daardoor kan ten onrechte het beeld ontstaan dat vertraging vooral bij fabrikanten ligt. Dat beeld is te simpel. Bedrijven zijn commerciële partijen die hun geneesmiddel doorgaans zo snel mogelijk beschikbaar willen maken. Als zij later indienen, later lanceren of in sommige gevallen terughoudend zijn met introductie in Nederland, vraagt dat om een analyse van de systeemredenen achter zulke keuzes. Die kunnen samenhangen met de Nederlandse inrichting van het toegangs- en vergoedingsproces, maar ook met de manier waarop dat Nederlandse systeem uitwerkt binnen de internationale context waarin bedrijven hun lanceringsbesluiten nemen.
Een onafhankelijke evaluatie moet daarom niet op voorhand invullen waar vertraging vandaan komt, maar per fase zichtbaar maken welke betrokken partijen invloed hebben op de doorlooptijd en hoe hun samenspel uitpakt. In lijn met de fases die VWS zelf onderscheidt, kan de verantwoordelijkheid per fase verschillen. Soms ligt een knelpunt mogelijk bij bedrijven, soms bij beoordelaars, overheid, zorgverzekeraars, beroepsgroepen of de inrichting van het proces. Juist daarom is zo’n analyse nodig: om vast te stellen welke partijen een been moeten bijtrekken en waar het proces juist al goed functioneert.
De VIG pleit daarom voor een onafhankelijke analyse van de oorzaken van vertraging in alle fases van het toelatings- en vergoedingsproces, bij voorkeur in gedeeld opdrachtgeverschap met de betrokken partijen. Zo wordt voorkomen dat de analyse te veel vanuit één beleidsmatige invalshoek wordt ingericht. Op die manier wordt zichtbaar waar het systeem vastloopt en waar overheid, Zorginstituut, zorgverzekeraars, beroepsgroepen en bedrijven gericht kunnen werken aan snellere toegang tot nieuwe geneesmiddelen voor patiënten.
Lees hier de brief: Voortgang financiële arrangementen geneesmiddelen 2025