26-04-2022

Van Rosmalen: ‘De hele wereld in je wachtkamer’

‘Negen jaar was ik toen mijn oma vroeg of ik later, als ik groot was, een geneesmiddel tegen kanker kon uitvinden’, zegt Belle van Rosmalen, Medical Director Oncology bij Lilly. ‘Ze zou kort daarna aan pancreaskanker overlijden.’

‘Tot de dag van vandaag is die belofte aan mijn oma een belangrijke drijfveer in mijn werk, al is mijn aandachtsgebied nu borstkanker. Het gesprek met mijn oma zal ik nooit vergeten. Ik ben altijd een arts geweest met een grote belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek, ook toen ik nog in een ziekenhuis werkte. Juist daarom ben ik naar de farmaceutische sector overgestapt, omdat ik mij hier kan inzetten voor betere zorg op een grotere schaal. Je bent als arts toch vooral bezig met individuele patiënten. In de geneesmiddelensector zit de hele wereld in je wachtkamer. Voor mijn promotieonderzoek werkte ik met cohorten van ongeveer 50 patiënten. Een goede vriend van, mij die al jaren in de sector werkt, deed soortgelijk
onderzoek, maar dan met 50.000 patiënten. Dat zegt alles.

Eye opener

‘Dat je juist als ambitieuze onderzoeker binnen het bedrijfsleven beter op je plek kunt zijn dan binnen de academische wereld, was voor mij wel een eye opener. Neem Hans Clevers, die wereldberoemd is vanwege zijn stamcelonderzoek en regelmatig genoemd wordt als kanshebber voor de Nobelprijs. Hij is recent overgestapt naar de farmacie. Niet om een boot te kunnen kopen, maar omdat hij aan de slag kan met een onderzoeksafdeling met 2.600 mensen en een budget van anderhalf miljard euro. Waar Clevers aan de universiteit alleen maar van kon dromen, komt nu binnen handbereik.’

Doodlopende weg

‘De universiteit is vaak een doodlopende weg voor ondernemende onderzoekers. Je hoopt dat je de kans krijgt om een start-up te beginnen waardoor je je onderzoek naar een hoger niveau kunt trekken. Maar omdat in Nederland vaak het intellectueel eigendom (IP) van de universiteit blijft, mis je de prikkel die je juist als jonge onderzoeker nodig hebt, want je kan geen investeerders aantrekken. Ik zie nu prachtige ontdekkingen die op de plank van de universiteit blijven liggen, omdat niemand er wat mee doet. In de Verenigde Staten is dat anders. Universiteiten stimuleren veelbelovende ontdekkingen door aandelen te nemen in start-ups van medewerkers. Bij veel Nederlandse universiteiten lijkt er nog steeds een Chinese muur rond de campus te staan, om het bedrijfsleven buiten te houden. Er gebeuren wel goede dingen, bijvoorbeeld in de scienceparken, maar het kan nog een stuk beter.’

Eigenwijs

‘Nederland heeft de potentie om aan de wereldtop mee te draaien. We hebben veel talent in huis en goed georganiseerde databases. Alleen hebben veel artsen de typisch Nederlandse mentaliteit om eigenwijs en koppig te zijn en het vooral lekker zelf te willen doen. Daarmee laten we kansen op samenwerking met de farmaceutische sector lopen. Ook omdat binnen de academische wereld soms nog het oude beeld van de jaren tachtig bestaat, is er wantrouwen en zien ze geneesmiddelenbedrijven vooral als een bron van financiering. Dan misken je echt hoeveel knowhow er bij deze bedrijven zit. Bedrijven willen meer dan alleen financier zijn, ze willen samenwerken. In landen als België en Spanje zie je veel meer dialoog en samenwerking tussen de bedrijven en artsen. Daar gaat meer geld naar onderzoek, worden meer trials geïnitieerd en patiënten geïncludeerd. Als we niet oppassen mist Nederland de boot.’

“Als we de Nobelprijs naar Nederland willen halen, moeten bedrijfsleven en wetenschap optrekken als gelijkwaardige partners.”

Belle van Rosmalen, Medical Director Oncology bij Lilly

Nobelprijs

‘Het gevaar bestaat dat bedrijven Nederland links laten liggen, omdat ze zien hoe moeizaam innovatie hier van de grond komt. Het duurt allemaal te lang, er is weinig betrokkenheid en ze raken geïrriteerd door het voortdurende wantrouwen en cynisme waarmee over de sector wordt gesproken, door politici, de media en ook door wetenschappers. Het is mijn ambitie om dat te doorbreken en het gesprek aan te gaan. Hoe kunnen we meer en betere research ontwikkelen en de samenwerking verbeteren door echt als gelijkwaardige partners op te trekken? Bruggen bouwen en verbinding maken – dat is mijn grootste ambitie. In de topsport is een samenwerking tussen wetenschap en het bedrijfsleven om onze medaillekansen te vergroten niet meer weg te denken. Wanneer we de Nobelprijs naar Nederland willen halen, moeten we dat ook bij de ontwikkeling van geneesmiddelen voor elkaar krijgen.’

Recordtempo

‘Een goede bescherming van IP is essentieel om nieuwe geneesmiddelen op de plank te krijgen. Natuurlijk willen we allemaal dat met name levensreddende behandelingen, zoals een pil of een vaccin, zo snel mogelijk voor iedereen beschikbaar en betaalbaar zijn. Tegelijk wil je zekerheid rondom de kwaliteit en de veiligheid. En is het ook legitiem dat kostbare investeringen gepaard gaan met de nodige bescherming en dat geld kan worden terugverdiend. Ook omdat ontdekkingen die onder IP vallen vaak ingezet worden voor veel meer dan één geneesmiddel of vaccin. Tijdens de Covid-pandemie zagen we al die elementen in de discussies terugkomen, inclusief de druk om de patenten meteen vrij te geven. Nu zijn er in een recordtempo nieuwe vaccins ontwikkeld, waarbij er ook bedrijven waren die ondanks forse investeringen met lege handen stonden. Ik durf de stelling aan dat zonder IP de pandemie veel langer zou voortduren.’

Vies woord?

‘Het ontwikkelen van geneesmiddelen gaat ook over geld, waarde en rendement. Zonder een gezond verdienmodel, inclusief de bescherming die IP biedt, blijven we met veel ziektes zitten. Dat is onacceptabel. Neem Alzheimer. We zijn daar al ruim 25 jaar mee bezig. Er zijn tientallen miljarden geïnvesteerd, die tot nu toe nog geen euro hebben opgeleverd. Sommige bedrijven zijn afgehaakt, maar nog steeds wordt er in laboratoria over de hele wereld gezocht naar de sleutel om deze ziekte in de greep te krijgen. Investeerders en bedrijven doen dat ook vanuit de wetenschap dat bij de vondst van een effectief geneesmiddel tegen Alzheimer het geld terugverdiend wordt, en er winst wordt gemaakt. Moeten we er daarom maar mee stoppen, omdat we winst een vies woord vinden? Wie neemt het stokje dan over?’

Achter in de rij

‘Soms wordt geopperd om de periode van een patent te verkorten, zodat de prijs snel naar beneden kan. Dat is in de praktijk behoorlijk ingewikkeld. De data van een nieuw medicijn kunnen nog zo veelbelovend zijn, maar bijvoorbeeld onvoldoende inzicht geven in overall survival, simpelweg omdat de ziekte een relatief lange overleving heeft. En artsen willen juist graag die data zien. Tegelijkertijd is het van groot belang dat het middel wel voor patiënten beschikbaar is. Het kan dan gebeuren dat de eerste vijf jaar van het patent een middel beperkt wordt voorgeschreven. Bij het begin van een ziekte zijn er bovendien nog heel veel standard of care therapielijnen die eerst ingezet worden. Artsen schakelen niet zomaar in een behandeling, vooral als de huidige middelen ook werken en goedkoper zijn. Dit betekent dat een nieuw geneesmiddel vaak achter in de rij kan aansluiten, ook al werkt het beter dan de standaard.’

Snelheid maken

‘Veel oncologische trials zijn ook zo opgezet dat het nieuwste middel in de laatste lijn wordt ingezet, want het is ethischer om een experimentele behandeling als laatste in te zetten. Ook als een middel werkt en veilig is komt het hierdoor zelden direct op de markt in de eerste lijn. Zelfs als er wel een eerstelijnsindicatie is, is het maar de vraag wanneer het middel daar ook daadwerkelijk gaat worden ingezet. Dan ben je zomaar tien jaar verder. Misschien dat een nieuw medicijn veel betere resultaten kan opleveren maar door al deze factoren pas aan het einde van de patentperiode echt snelheid begint te maken. Dan heb je al de nodige kansen gemist om patiënten weer hun leven terug te geven. Tevens dient de mogelijkheid om een investering terug te verdienen, zich dus vaak pas aan in de laatste jaren van een patent.’

Belofte aan oma

‘Ik heb de belofte aan mijn oma nog niet waar kunnen maken. Wel loopt Nederland voorop in het onderzoek naar pancreaskanker, een van de lastigste kankers met nu, twintig jaar later, nog steeds een slechte overleving. De laatste jaren is het onderzoek wel in een stroomversnelling gekomen en zijn er kleine overlevingswinsten geboekt. Dit is vooral te danken aan de hechte samenwerking tussen artsen, universiteiten en bedrijven. Dat is echt de enige manier om verder te komen!’