Onze inzet

Toegang tot geneesmiddelen en een sterk innovatieklimaat zijn randvoorwaarden voor goede zorg. Dit hoofdstuk beschrijft hoe het in Nederland is gesteld met de toegankelijkheid van nieuwe geneesmiddelen, de wachttijden voor patiënten en de ontwikkeling van de uitgaven. Daarnaast laat het zien hoe het innovatieklimaat zich ontwikkelt en hoe Nederland zich verhoudt tot andere landen.
Scroll om meer te ontdekken

Snelle en brede toegang

Patiënten in Nederland moeten steeds langer wachten op toegang tot nieuwe geneesmiddelen. Bovendien is een steeds beperkter aandeel van de nieuwe, EMA-goedgekeurde geneesmiddelen toegankelijk voor patiënten. Tegelijkertijd zijn de uitgaven aan geneesmiddelen onder controle. De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen per persoon per jaar en als aandeel van de totale uitgaven aan medisch-specialistische zorg laten zelfs een dalende trend zien.

Geneesmiddelen aan de horizon

Middels de ‘Horizonscan geneesmiddelen’ schat Zorginstituut Nederland twee keer per jaar in welke geneesmiddelen in de komende twee jaar op de markt worden verwacht.

Op de Horizonscan van december 2025 staan 673 geneesmiddelen. Bij 360 daarvan gaat het om een nieuw geneesmiddel en 305 dossiers zijn indicatie-uitbreidingen. De overige geneesmiddelen betreffen een generiek middel (2 stuks) en een biosimilar (6 stuks).

Bij veruit de grootste groep geneesmiddelen op de Horizonscan, één derde deel, gaat het om een therapie tegen kanker (solide tumoren). Met de hematologische geneesmiddelen daarbij opgeteld, gaat het om bijna de helft (45%). De andere twee indicaties in de top drie betreffen neurologische aandoeningen en chronische immuunziekten. Voor beide geldt dat één op de acht geneesmiddelen op de scan die aandoening betreft.

De Horizonscan moet ervoor zorgen dat patiënten, behandelaars, ziekenhuizen, zorgverzekeraars, overheidsorganen en overige veld- of stelselpartijen vroegtijdig op de hoogte zijn van de geneesmiddelen die eraan komen en wat de mogelijke financiële impact hiervan is.

Geneesmiddelen in de Horizonscan 2026 – 2028

Horizonscan van december 2025

Toegang tot nieuwe geneesmiddelen

Voordat een geneesmiddel in de Europese Unie op de markt mag komen, beoordeelt het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) wetenschappelijk of het middel aan de strikte eisen voor kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid voldoet. Tussen 2021 en 2024 keurde het EMA in totaal 168 nieuwe geneesmiddelen goed. Dat betekent dat de middelen een Europese handelsvergunning kregen.

 

Toegankelijkheid in Europese landen

Van de 168 goedgekeurde geneesmiddelen waren er begin 2026 gemiddeld 76 beschikbaar in de EU27-landen. Of anders geformuleerd: gemiddeld is ruim de helft (55%) van de EMA-goedgekeurde middelen niet toegankelijk voor de Europese bevolking.

Patiënten in Duitsland, Oostenrijk en Italië hebben toegang tot de meeste nieuwe geneesmiddelen. Negen van de tien nieuwe geneesmiddelen zijn toegankelijk voor Duitse patiënten, in Italië gaat het om acht van de tien. De hekkensluiters zijn Turkije, Noord-Macedonië en Bosnië. Daar is één op de twintig (5%) nieuwe geneesmiddelen toegankelijk voor patiënten.

Aantal toegankelijke nieuwe geneesmiddelen in Europa

EMA-goedgekeurde geneesmiddelen die op nationaal niveau worden vergoed

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Tussen 2021 en 2024 keurde EMA 168 geneesmiddelen goed. Peildatum voor de nationale vergoeding is 5 januari 2026. Noord-Macedonië en Bosnië hebben geen volledige dataset aangeleverd ten behoeve van de jaarlijkse Patients W.A.I.T. indicator, waardoor de werkelijke toegang tot geneesmiddelen in deze landen mogelijk afwijkt.

Toegankelijkheid van alle nieuwe geneesmiddelen in Nederland

De toegankelijkheid in Nederland is beter dan gemiddeld in Europa. Begin 2026 waren 91 van de 168 (54%) nieuwe geneesmiddelen opgenomen in het basispakket van de Nederlandse zorgverzekering en daarmee toegankelijk voor patiënten. Nederlandse patiënten hadden dus geen (verzekerde) toegang tot bijna de helft (46%) van de nieuwe geneesmiddelen.

Ook zorgt ons stelsel voor een gelijke toegang tot nieuwe medicijnen. Als een nieuw geneesmiddel in Nederland wordt opgenomen in het verzekerde pakket, dan wordt dat (voor zover bekend) altijd volledig vergoed door de zorgverzekeraar.

In vergelijking met voorgaande jaren verslechterd de toegang tot nieuwe geneesmiddelen elk jaar in Nederland. Begin 2025 was 58% van de EMA-goedgekeurde geneesmiddelen nog toegankelijk voor Nederlandse patiënten. En in 2019 hadden zij toegang tot twee van de drie (67%) nieuwe geneesmiddelen. Het aandeel nieuwe geneesmiddelen waar patiënten geen toegang toe hebben, wordt dus elk jaar groter.

Aandeel toegankelijke nieuwe geneesmiddelen in Nederland en Europa

EMA-goedgekeurde geneesmiddelen die op nationaal niveau worden vergoed

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: EMA keurde tussen 2021 en 2024 168 geneesmiddelen goed voor de Europese markt. Peildatum voor de nationale vergoeding is 5 januari 2026.

Toegankelijkheid van geneesmiddelen tegen kanker

Van de 56 geneesmiddelen tegen kanker die het EMA tussen 2021 en 2024 goedkeurde, zijn er in Nederland 23 opgenomen in het basispakket van de Nederlandse zorgverzekering (41%). Drie van de vijf (59%) nieuwe oncolytica zijn dus niet toegankelijk voor Nederlandse patiënten.

De toegankelijkheid van deze middelen neemt elk jaar af. In 2019 hadden Nederlandse patiënten nog toegang tot vier van de vijf (81%) nieuwe geneesmiddelen tegen kanker. Dat betekent dat de toegankelijkheid met veertig procentpunt is gedaald sinds 2019.

Over heel Europa genomen hebben patiënten gemiddeld genomen toegang tot de helft van de nieuwe oncolytica. In 2023 is Nederland op het gebied van oncolytica onder het Europese gemiddelde gezakt en dat is sindsdien niet verbeterd.

Aandeel toegankelijke nieuwe geneesmiddelen tegen kanker in Nederland en Europa

EMA-goedgekeurde geneesmiddelen die op nationaal niveau worden vergoed

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Tussen 2021 en 2024 keurde EMA 56 oncolytica goed. Peildatum voor de nationale vergoeding is 5 januari 2026.

Toegankelijkheid van weesgeneesmiddelen

Tussen 2021 en 2024 keurde EMA 66 weesgeneesmiddelen goed voor de Europese markt. Daarvan werden er begin 2026 in Nederland 26 (39%) vergoed vanuit de zorgverzekering. Ook voor weesgeneesmiddelen geldt dus dat drie van de vijf (61%) niet toegankelijk zijn voor Nederlandse patiënten.

De toegang tot weesgeneesmiddelen wisselt sterk per jaar, maar laat een neerwaartse trend zien over de langere termijn. In 2019 waren nog bijna drie van de vijf (57%) weesgeneesmiddelen toegankelijk voor Nederlandse patiënten. Sinds dat jaar is de toegankelijkheid dus met achttien procentpunt gedaald.

Dit jaar is Nederland voor het eerst onder het Europese gemiddelde gezakt. De gemiddelde toegankelijkheid van weesgeneesmiddelen in de EU27-landen is 43%.

Aandeel toegankelijke nieuwe weesgeneesmiddelen in Nederland en Europa

EMA-goedgekeurde geneesmiddelen die op nationaal niveau worden vergoed

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Tussen 2021 en 2024 keurde EMA 66 weesgeneesmiddelen goed. Peildatum voor de nationale vergoeding is 5 januari 2026.

Toegankelijkheid van combinatietherapieën

Het EMA keurde tussen 2021 en 2024 tien combinatietherapieën goed voor de Europese markt. Daarvan waren er begin 2026 zes (60%) toegankelijk voor Nederlandse patiënten. Het jaar ervoor hadden zij nog toegang tot tachtig procent van de combinatietherapieën.

Over de langere termijn gaat de toegang tot deze therapieën in Nederland langzaam achteruit. In 2020 waren negen van de tien nieuwe combinatietherapieën toegankelijk voor Nederlandse patiënten.

De toegang tot combinatietherapieën is in Nederland beter dan het gemiddelde van de EU27-landen. Europese patiënten hebben gemiddeld toegang tot iets minder dan de helft van deze therapieën.

Kanttekening bij deze cijfers is dat het om een beperkt aantal therapieën gaat. De conclusies moeten dan ook vanuit dat perspectief worden geïnterpreteerd.

Aandeel toegankelijke nieuwe combinatietherapieën in Nederland en Europa

EMA-goedgekeurde combinatietherapieën die op nationaal niveau worden vergoed

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Tussen 2021 en 2024 keurde EMA 10 combinatietherapieën goed. Peildatum voor de nationale vergoeding is 5 januari 2026.

Toegankelijkheid in Nederland t.o.v. andere Europese landen

In het algemeen is de toegang tot nieuwe geneesmiddelen iets verbeterd ten opzichte van andere Europese landen. In 2024 stond Nederland op positie 11. Dat betekent dat patiënten in tien andere Europese landen tot meer nieuwe geneesmiddelen toegang hadden dan in Nederland. In 2025 is Nederland één plek opgeschoven naar positie 10. Dat is hetzelfde niveau als in 2023. Sinds 2021, toen Nederland nog op de zesde positie stond, loopt de toegankelijkheid ten opzichte van andere Europese landen terug.

In Nederland hebben mensen met kanker tot beduidend minder nieuwe oncolytica toegang dan in vele andere Europese landen. In 2025 staat Nederland op positie 22. Dat wil zeggen dat in 21 landen er meer geneesmiddelen tegen kanker zijn vergoed dan in Nederland. In 2024 stond Nederland nog op positie 21 en in 2019 zelfs op positie 5. De toegankelijkheid tot nieuwe oncolytica in vergelijking met andere Europese landen is in de afgelopen zes jaar dus verslechterd in Nederland.

Ook de toegankelijkheid van weesgeneesmiddelen in Nederland gaat achteruit ten opzichte van andere Europese landen. In 2024 nam Nederland nog de 14e positie in, in 2025 is dat de 17e positie. Dat betekent dat patiënten in zestien andere Europese landen toegang hebben tot meer nieuwe weesgeneesmiddelen dan in Nederland.

De toegang tot combinatietherapieën is in 2025 eveneens achteruitgegaan ten opzichte van andere Europese landen. In 2024 bekleedde Nederland nog de 6e positie, in 2025 is dat een gedeelde 8e plaats met Zwitserland. In zeven andere Europese landen hebben patiënten dus toegang tot meer combinatietherapieën dan in Nederland.

positie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen

aandeel toegankelijke EMA-goedgekeurde geneesmiddelen

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Per jaar zijn de landen gerangschikt op het aandeel geneesmiddelen dat nationaal toegankelijk is ten opzichte van de geneesmiddelen die in de vier jaar ervoor zijn goedgekeurd door het EMA. De eerste positie betreft het hoogste percentage toegankelijke nieuwe geneesmiddelen.

Wachten op nieuwe geneesmiddelen

Na EMA-marktoelating bepalen landen zelf of een middel wordt vergoed, en soms ook voor welke patiëntengroep of onder welke voorwaarden. In Nederland hebben patiënten pas toegang tot een nieuw geneesmiddel als deze is opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering. Een aantal andere Europese landen, zoals Duitsland, Frankrijk en Finland, geeft patiënten in bepaalde situaties al wel (tijdelijk en/of onder voorwaarden) vergoede toegang vóór de reguliere vergoedingsbeslissing.

 

Wachttijd in Europese landen

De gemiddelde wachttijd voor patiënten in de Europese Unie is 597 dagen. Dat betekent dat het vanaf goedkeuring door het EMA gemiddeld bijna twintig maanden duurt voordat een nieuw geneesmiddel wordt vergoed. Sinds 2020 is de gemiddelde Europese wachttijd met bijna honderd dagen toegenomen.

In Duitsland is de gemiddelde wachttijd 158 dagen. Dat betekent dat Duitse patiënten bijna vijftien maanden eerder toegang hebben tot nieuwe geneesmiddelen dan gemiddeld in Europa. Ook in Oostenrijk, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Zwitserland is de gemiddelde wachttijd van twaalf tot vijftien maanden beduidend korter dan het Europese gemiddelde van twintig maanden.

Hekkensluiters zijn Turkije, Roemenië en Malta. In die landen duurt het 33 tot 37 maanden totdat patiënten toegang hebben tot een nieuw EMA-goedgekeurd geneesmiddel.

Wachttijd tot aan toegang tot nieuwe geneesmiddelen

aantal dagen van centrale EU-autorisatie tot aan vergoeding

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Het gemiddeld aantal dagen vanaf de Europese marktvergunning tot aan opname in het Nederlandse basispakket van de zorgverzekering van alle geneesmiddelen die in de vier voorafgaande jaren zijn goedgekeurd door het EMA.

Wachttijd voor alle nieuwe geneesmiddelen

In Nederland wachten patiënten gemiddeld 493 dagen op toegang tot een nieuw geneesmiddel. Ten opzichte van 2024 is de wachttijd met een maand toegenomen en ten opzichte van 2019 is deze zelfs verdubbeld. In vergelijking met het Europese gemiddelde is de wachttijd voor Nederlandse patiënten drie maanden korter.

Sinds 2020 neemt de gemiddelde wachttijd in Nederland elk jaar met veertig tot tachtig dagen toe. Nederlandse patiënten wachten gemiddeld elf maanden langer op nieuwe geneesmiddelen dan hun oosterburen. In Duitsland bedraagt de wachttijd slechts vijf maanden.

Wachttijd tot aan toegang tot nieuwe geneesmiddelen

Aantal dagen van centrale EU-autorisatie tot aan vergoeding

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Het gemiddeld aantal dagen vanaf de Europese marktvergunning tot aan opname in het Nederlandse basispakket van de zorgverzekering van alle geneesmiddelen die in de vier voorafgaande jaren zijn goedgekeurd door het EMA.

Wachttijd voor nieuwe geneesmiddelen tegen kanker

In Nederland moeten mensen met kanker ruim zeventien maanden (525 dagen) wachten op nieuwe oncolytica. Dat is bijna 100 dagen langer dan in 2024, toen de wachttijd nog 431 dagen bedroeg. De gemiddelde wachttijd in Europa is 655 dagen, wat een toename is van twee maanden ten opzichte van 2024.

Ten opzichte van 2020 is de wachttijd voor nieuwe geneesmiddelen tegen kanker tweeëneenhalf keer zo lang. Toen was de wachttijd nog zeven maanden (214 dagen). Sinds 2020 neemt de wachttijd jaarlijks toe. Met name vanaf 2023 loopt de tijd tot aan nationale vergoeding sterk op, met ruim drie maanden per jaar.

Wachttijd tot aan toegang tot nieuwe geneesmiddelen tegen kanker

Aantal dagen van centrale EU-autorisatie tot aan vergoeding

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Het gemiddeld aantal dagen vanaf de Europese marktvergunning tot aan opname in het Nederlandse basispakket van de zorgverzekering van geneesmiddelen tegen kanker die in de vier voorafgaande jaren zijn goedgekeurd door het EMA.

Wachttijd voor nieuwe weesgeneesmiddelen

In Nederland is de wachttijd voor weesgeneesmiddelen ruim achttien maanden (561 dagen). Dat is één week korter dan in 2024, toen de wachttijd nog 569 dagen bedroeg. Voor het eerst sinds 2020 zet de stijgende trend in de wachttijd zich niet voort.

In 2020 bedroeg de gemiddelde wachttijd voor deze groep patiënten in Nederland nog negen maanden. De gemiddelde wachttijd tot aan toegang tot nieuwe weesgeneesmiddelen in Europa was toen bijna 22 maanden; een verschil van ruim een jaar. In de jaren daarna steeg de gemiddelde wachttijd in Europa beduidend minder snel dan in Nederland. Inmiddels is het verschil tussen de gemiddelde wachttijd in Nederland en Europa minder dan twee maanden.

Wachttijd tot aan toegang tot nieuwe weesgeneesmiddelen t.o.v. EU27

aantal dagen van centrale EU-autorisatie tot aan vergoeding

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Het gemiddeld aantal dagen vanaf de Europese marktvergunning tot aan opname in het Nederlandse basispakket van de zorgverzekering van weesgeneesmiddelen die in de vier voorafgaande jaren zijn goedgekeurd door het EMA.

Wachttijd voor nieuwe combinatietherapieën

In Nederland wachten patiënten gemiddeld één jaar (359 dagen) op toegang tot een nieuwe combinatietherapie. Dat is in vergelijking met toegang tot nieuwe oncolytica en weesgeneesmiddelen ruim een half jaar korter. En ook ten opzichte van het gemiddelde in Europa wachten Nederlandse patiënten een half jaar korter op toegang tot een combinatietherapie.

Sinds 2022 is het gemiddeld aantal dagen totdat een combinatietherapie wordt vergoed voor het eerst weer afgenomen in 2025, met ruim twee maanden. Wel is de wachttijd ruim vijf maanden langer dan in 2021, toen patiënten nog 196 dagen moesten wachten op toegang tot deze therapieën.

Kanttekening bij deze cijfers is dat het om een beperkt aantal therapieën gaat. Vanuit dat perspectief moeten de conclusies ook worden geïnterpreteerd.

Wachttijd tot aan toegang tot nieuwe combinatietherapieën

aantal dagen van centrale EU-autorisatie tot aan vergoeding

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Het gemiddeld aantal dagen vanaf de Europese marktvergunning tot aan opname in het Nederlandse basispakket van de zorgverzekering van combinatietherapieën die in de vier voorafgaande jaren zijn goedgekeurd door het EMA.

Wachttijd in Nederland t.o.v. andere Europese landen

In het algemeen is het aantal dagen tot aan toegang tot nieuwe geneesmiddelen iets verbeterd ten opzichte van andere Europese landen. In 2024 stond Nederland op de 11e positie, in 2025 op de 10e positie. Dat betekent dat in negen andere Europese landen de wachttijd voor nieuwe geneesmiddelen korter is dan in Nederland.

Voor wat betreft toegang tot geneesmiddelen tegen kanker, is de wachttijd in Nederland ten opzichte van andere Europese landen verslechterd. Nederland is één positie gedaald, van positie 13 naar positie 14. Dat betekent dat mensen met kanker in dertien andere Europese landen eerder toegang hebben tot nieuwe oncolytica dan in Nederland. In 2019 en 2020 stond Nederland nog op de 4e positie. Dat betekent een daling van 10 posities in vijf jaar tijd.

De tijd tot aan de vergoeding van weesgeneesmiddelen is in Nederland iets verbeterd ten opzichte van andere Europese landen. Nederland blijft een middenmoter op positie vijftien, maar dit is twee posities beter dan in 2024. De positie is wel aanmerkelijk slechter dan in 2020. Toen stond Nederland nog op positie 4 en was de wachttijd in slechts drie andere Europese landen korter dan in Nederland.

In 2025 is de wachttijd tot aan toegang tot nieuwe combinatietherapieën in Nederland sterk verbeterd ten opzichte van andere Europese landen, ook al is de wachttijd slechts zes dagen korter geworden. Nederland neemt positie 5 in, in 2024 was dat nog positie 14. Dat houdt in dat patiënten in slechts vier andere Europese landen eerder toegang hebben tot combinatietherapieën dan in Nederland.

Positie van Nederland ten opzichte van EU27-landen

Bron: Patients W.A.I.T. indicator 2025 (IQVIA, 2026)

Toelichting: Per jaar zijn de landen gerangschikt op het gemiddeld aantal dagen vanaf EMA-goedkeuring tot aan toegankelijkheid voor patiënten. Dat is doorgaans het moment waarop het nieuwe geneesmiddel wordt toegelaten tot het verzekerde pakket. De eerste positie betreft het minst aantal dagen tot aan toegang.

Wachttijd voor sluisgeneesmiddelen

Als een nieuw ziekenhuisgeneesmiddel naar verwachting een groot beslag legt op de collectieve zorguitgaven, dan kan de minister van VWS een dergelijk middel in de zogeheten ‘sluis’ plaatsen om het uitgebreid te beoordelen en uiteindelijk mogelijk te onderhandelen met de fabrikant over de prijs. Tijdens de sluisperiode wordt het nieuwe medicijn nog niet vergoed vanuit de zorgverzekering en hebben patiënten er dus geen toegang toe.

Het duurt gemiddeld bijna 22 maanden (655 dagen) voordat Nederlandse patiënten toegang hebben tot een geneesmiddel dat in de sluis is geplaatst. Dat is meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2018, toen het minder dan tien maanden duurde totdat een sluisgeneesmiddel werd vergoed. Sinds 2018 nam de wachttijd elk jaar fors toe. In 2024 zette deze trend voor het eerst niet door. Toen nam de wachttijd ten opzichte van 2023 met ruim drie maanden af.

Een geneesmiddel wordt in de sluis geplaatst als de geschatte kosten ervan (voor één of meerdere indicaties) in totaal minstens € 20 miljoen per jaar bedragen. Dat gebeurt ook als het medicijn voor één indicatie jaarlijks minimaal € 50.000 per patiënt kost en de totale jaarlijkse kosten voor die indicatie € 10 miljoen of meer zijn [1]. De sluis maakt ruimte voor zorgvuldige beoordeling en prijsafspraken, maar betekent voor patiënten een lange periode zonder toegang.

Wachttijd tot aan toegang tot geneesmiddelen in de sluis

2018 – 2024

Uitgaven aan geneesmiddelen

De uitgaven aan geneesmiddelen zijn onder controle in Nederland. Ze vormen een steeds kleiner aandeel van de zorguitgaven. Ook de uitgaven per patiënt per jaar voor intramurale geneesmiddelen laten een dalende trend zien. In vergelijking met andere zorgsectoren en met andere landen blijven de geneesmiddelenuitgaven in Nederland relatief beperkt.

 

Uitgaven ten opzichte van het zorgbudget

De uitgaven aan geneesmiddelen laten als aandeel van de totale zorguitgaven een dalende trend zien. Zowel de bruto als de netto geneesmiddelenuitgaven stijgen weliswaar in absolute zin, maar minder snel dan het totale zorgbudget.

In 2024 bedroegen de bruto uitgaven aan geneesmiddelen 5,0% van de totale zorguitgaven, in 2020 was dat percentage nog 5,4%. Voor de netto uitgaven (de totale kosten van geneesmiddelen na kortingen, vergoedingen en andere verrekeningen) aan geneesmiddelen geldt dat zij in 2024 4,2% vormden van de totale zorguitgaven. In 2020 lag dat 0,8 procentpunt hoger: 5,0%.

Ten opzichte van 2020 zijn de bruto uitgaven aan geneesmiddelen met 24% gestegen naar een kleine €7,8 miljard. Voor de netto uitgaven aan geneesmiddelen geldt dat de uitgaven in dezelfde periode met 13% zijn toegenomen naar €6,6 miljard.

In 2024 bedroegen de totale zorguitgaven in Nederland bijna €155 miljard, een stijging van 33% ten opzichte van 2020, toen de zorgkosten nog ruim €116 miljard bedroegen. De uitgaven aan geneesmiddelen groeien dus aanmerkelijk minder snel dan de totale zorguitgaven. Dat impliceert dat de uitgaven aan geneesmiddelen onder controle zijn.

Uitgaven aan geneesmiddelen t.o.v. totale zorguitgaven

Jaarlijkse uitgaven, 2020 – 2024

Toelichting: De totale zorguitgaven betreffen de uitgaven aan gezondheids- en welzijnszorg aan aanbieders van gezondheidszorg, jeugdzorg, welzijn, maatschappelijke dienstverlening, kinderopvang en beheer, inclusief organisaties waarvoor zorgverlening slechts één van meerdere activiteiten. Hieronder vallen ook aanbieders buiten de sector Gezondheids- en welzijnszorg volgens de Standaard Bedrijfsindeling, zoals apotheken en opticiens (brede CBS-definitie). De cijfers over 2023 en 2024 zijn in deze figuur nog niet definitief.

Bronnen:
Netto uitgaven: Zorgkostenontwikkeling Zorgverzekeringswet 2021-2025 (Zorgcijfersdatabank.nl)
Bruto uitgaven: Zorgkostenontwikkeling Zorgverzekeringswet 2021-2025 (Zorgcijfersdatabank.nl)
Totale zorguitgaven: Uitgaven gezondheids- en welzijnszorg; kerncijfers (CBS)

Uitgaven ten opzichte van andere zorg

De uitgaven aan geneesmiddelen groeien minder hard dan andere vormen van zorg. De uitgaven aan add on-geneesmiddelen (die in het ziekenhuis worden toegediend en meer dan €1.000 per patiënt per jaar kosten) zijn in 2024 ten opzichte van 2020 met 10,1% gestegen. De uitgaven aan geneesmiddelen die patiënten via de openbare apotheek krijgen, stegen in diezelfde periode met 15,2%. Samen genomen, stegen de totale geneesmiddelenuitgaven met 13%.

De uitgavengroei aan geneesmiddelen is flink lager dan de uitgavengroei in de huisartsenzorg (34,6%) en de medisch-specialistische zorg (22,4%). De totale zorguitgaven stegen tussen 2020 en 2024 met 33,1%.

Uitgavengroei aan geneesmiddelen t.o.v. andere zorg

2020 - 2024

Toelichting: De procentuele uitgavengroei aan geneesmiddelen afgezet tegen de uitgavenontwikkeling in andere zorgsectoren. De groeipercentages zijn berekend door de uitgaven in 2024 met die in 2020 te vergelijken. Voor ziekenhuisgeneesmiddelen zijn alleen de uitgaven aan add-ons meegerekend. De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen die binnen een DBC vallen, zijn niet als aparte categorie inzichtelijk in publieke data en zijn daarom buiten beschouwing gelaten.

Bronnen:
Uitgaven: Huisartsenzorg (Zorgcijfersdatabank.nl)
Uitgaven: Medisch specialistische zorg (Zorgcijfersdatabank.nl)
Uitgaven extramurale geneesmiddelen: Materiaalkosten (1 = 1.000) 2020-2024 per ATC-hoofdgroep (Zorgcijfersdatabank.nl)
Totale uitgaven geneesmiddelen: Zorgkostenontwikkeling Zorgverzekeringswet 2021-2025 (Zorgcijfersdatabank.nl)

Verhouding tussen uitgaven aan intramurale en extramurale geneesmiddelen

De verhouding tussen intramurale en extramurale geneesmiddelen voor wat betreft uitgaven is al jarenlang min of meer hetzelfde. Ongeveer drievijfde deel van de uitgaven betreft extramurale geneesmiddelen en tweevijfde deel betreft intramurale geneesmiddelen.

In totaal gebruiken meer dan 11,5 miljoen mensen één of meer geneesmiddelen. Maar het aantal mensen dat enkel extramurale geneesmiddelen gebruikt, is aanzienlijk hoger dan het aantal mensen dat (daarnaast ook) een intramuraal middel gebruikt. Dat betekent dat de kosten van een intramuraal geneesmiddel gemiddeld genomen hoger zijn dan van een extramuraal middel.

Verhouding tussen uitgaven aan intramurale en extramurale geneesmiddelen

Jaarlijkse uitgaven, 2020 – 2024

Toelichting: Het aandeel van intramurale en extramurale geneesmiddelen ten opzichte van de totale uitgaven aan geneesmiddelen. Voor ziekenhuisgeneesmiddelen zijn alleen de uitgaven aan add ons meegerekend. De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen die binnen een DBC vallen, zijn niet als aparte categorie inzichtelijk in publieke data en zijn daarom buiten beschouwing gelaten.

Bronnen:
Uitgaven aan intramurale geneesmiddelen: Kosten (1 = 1.000) 2020-2024 per ATC-hoofdgroep (Zorgcijfersdatabank.nl)
Uitgaven aan extramurale geneesmiddelen: Materiaalkosten (1 = 1.000) 2020-2024 per ATC-hoofdgroep (Zorgcijfersdatabank.nl)

Uitgaven aan intramurale geneesmiddelen

De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen als aandeel van de totale uitgaven aan medisch-specialistische zorg (msz) laten een dalende trend zien. Geneesmiddelenuitgaven stijgen weliswaar in absolute zin, maar minder snel dan de totale uitgaven aan ziekenhuiszorg. In 2020 bedroegen de uitgaven aan intramurale geneesmiddelen 10,1% van de totale msz-uitgaven, in 2024 was dat percentage gedaald naar 8,8%.

Ten opzichte van 2020 zijn de uitgaven aan intramurale geneesmiddelen in 2024 met 10,0% gestegen naar een kleine €2,7 miljard. Over diezelfde periode stegen de totale uitgaven aan de msz met 22,0% naar €30,6 miljard.

De uitgaven aan geneesmiddelen nemen dus een steeds kleiner deel voor hun rekening van de totale uitgaven aan medisch-specialistische zorg.

Uitgaven aan intramurale geneesmiddelen t.o.v. medisch-specialistische zorg

Jaarlijkse uitgaven, 2020-2024

Toelichting: Alleen de uitgaven aan add ons zijn meegerekend. De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen die binnen een dbc vallen, zijn niet als aparte categorie inzichtelijk in publieke data en zijn daarom buiten beschouwing gelaten. De uitgavencijfers van 2023 en 2024 zijn in deze figuur nog niet definitief.

Bronnen:
Uitgaven aan extramurale geneesmiddelen: Kosten (1 = 1.000) 2020-2024 per ATC-hoofdgroep (Zorgcijfersdatabank.nl)
Uitgaven aan extramurale geneesmiddelen: Materiaalkosten (1 = 1.000) 2020-2024 per ATC-hoofdgroep (Zorgcijfersdatabank.nl)
Uitgaven: Medisch specialistische zorg (Zorgcijfersdatabank.nl)

Uitgaven per patiënt per jaar

De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen per patiënt per jaar laten een dalende trend zien. In 2020 waren de gemiddelde uitgaven aan geneesmiddelen die in het ziekenhuis worden toegediend €7.670 per patiënt. Vier jaar later zijn die uitgaven met 20,0% gedaald naar €6.135 per patiënt per jaar.

De absolute uitgaven aan intramurale geneesmiddelen stegen ten opzichte van 2020 met 10,1% naar €2,7 miljard. Maar het aantal patiënten dat deze middelen gebruikt, nam procentueel gezien sterker toe. In 2020 gebruikten bijna 320.000 mensen een intramuraal geneesmiddel. Vier jaar later is dit aantal met 37,6% gestegen naar bijna 440.000 patiënten.

Uitgaven aan geneesmiddelen per patiënt per jaar

Jaarlijkse uitgaven, 2020 – 2024

Toelichting:
De historische ontwikkeling van de uitgaven aan intramurale geneesmiddelen per patiënt per jaar. Alleen de uitgaven aan add ons zijn meegerekend. De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen die binnen een dbc vallen, zijn niet als aparte categorie inzichtelijk in publieke data en zijn daarom buiten beschouwing gelaten. De cijfers van 2023 en 2024 zijn in deze figuur nog niet definitief.

Bronnen:
Uitgaven aan add on geneesmiddelen (Zorgcijfersdatabank.nl)
Aantal gebruikers van add on geneesmiddelen (Zorgcijfersdatabank.nl)

Uitgaven ten opzichte van andere landen

De uitgaven aan geneesmiddelen per hoofd van de bevolking liggen in Europese landen aanzienlijk lager dan in de Verenigde Staten, ook wanneer wordt gecorrigeerd voor het welvaartsniveau aan de hand van het bruto binnenlands product (bbp). In Nederland zijn de uitgaven aan geneesmiddelen slechts 29% van wat de VS er per hoofd van de bevolking aan uitgeven.

Andere Europese landen geven een beduidend hoger aandeel uit aan geneesmiddelen dan Nederland. Zo geeft het Verenigd Koninkrijk 90% uit ten opzichte van de geneesmiddelenuitgaven van de VS, buurland Duitsland 81% en Spanje 65%. Denemarken geeft, net als Nederland, in verhouding weinig uit aan geneesmiddelen. Het Scandinavische land geeft 31% uit ten opzichte van de Amerikaanse geneesmiddelenuitgaven.

Dat blijkt uit een rapport van ING Research, dat mede is gebaseerd op gegevens van de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) en de Wereldbank. Dit rapport beschrijft dat Amerikaanse consumenten gemiddeld twee tot vier keer zoveel betalen voor geneesmiddelen als Europese. Het verschil in uitgaven hangt mede samen met de inrichting van het zorg- en vergoedingssysteem.

Geneesmiddelenuitgaven per hoofd van de bevolking

Europese landen ten opzichte van de VS

Bron: Money (That’s What I Want): 2026 is the year of truth for Trump’s pharma policies (ING THINK, 2026)

Toelichting figuur: Uitgaven aan geneesmiddelen per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd voor het welvaartsniveau in een land. De internationale datasets van de OECD en de Wereldbank gaan in het algemeen uit van een brede definitie van geneesmiddelenuitgaven. Meegerekend zijn geneesmiddelen die alleen op recept verkrijgbaar zijn, zowel innovatieve als generieke middelen; vrij verkrijgbare geneesmiddelen (OTC); en distributiekosten, zoals marges voor groothandel en apotheek, en belastingen zoals btw.

Aantrekkelijk innovatieklimaat

Een sterk en voorspelbaar innovatieklimaat is een voorwaarde voor de ontwikkeling en productie van en toegang tot nieuwe geneesmiddelen in Nederland. Maar het innovatieklimaat in Nederland staat onder druk. Hoewel Nederland nog steeds tot de meest concurrerende economieën behoort, laten internationale ranglijsten en investeringscijfers zien dat terrein wordt verloren ten opzichte van andere landen. Dat is ook terug te zien in belangrijke indicatoren voor het innovatieklimaat: R&D-investeringen en klinisch onderzoek.

Concurrentiepositie van Nederland

Nederland staat in 2025 op plaats 10 van de World Competitiveness Ranking van IMD. Daarmee hoort Nederland nog steeds bij de meest concurrerende economieën ter wereld. De ranglijst vergelijkt landen op vier hoofdthema’s: economische prestaties, overheidsefficiëntie, bedrijfsefficiëntie en infrastructuur. Zwitserland staat in 2025 bovenaan de ranglijst.

De positie van Nederland is de afgelopen jaren wel gedaald. In 2024 stond Nederland nog op plaats 9 en in 2020 zelfs op plaats 4. Deze daling betekent dat andere landen sneller vooruitgaan. Nederland scoort vooral minder sterk op onderdelen die zwaar meetellen in de ranglijst, met name op economische prestaties en het investeringsklimaat.

IMD noemt een aantal maatregelen die de concurrentiekracht kunnen versterken, waaronder vrije internationale handel met gelijke spelregels ondersteunen, zorgen voor een gastvrij internationaal ondernemingsklimaat en onnodige regels verminderen. Ook moet Nederland ervoor zorgen dat kennis uit academisch onderzoek, vooral bij sleuteltechnologieën, sneller wordt toegepast in de praktijk [1].

Het rapport van Peter Wennink sluit hierbij aan. Wennink benadrukt de sleutelrol van life sciences en biotechnologie voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Volgens Wennink vraagt dit om snellere en voorspelbare regelgeving en vergunningen en een beter functionerende thuismarkt, zodat innovaties sneller van onderzoek naar toepassing kunnen worden gebracht [2].

[1] WCR-Ranking Netherlands (IMD business school for management and leadership courses)
[2] De route naar toekomstige welvaart. Een sterk Nederland in een relevant Europa. (Peter Wennink, 2025)

Concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere landen

status januari 2026

Bron: WCR-Rankings (IMD business school for management and leadership courses)

Toelichting:
IMD stelt de rangorde samen door 69 economieën wereldwijd met elkaar te vergelijken op basis van economische prestaties, overheidsefficiëntie, bedrijfsefficiëntie en infrastructuur. Ongeveer twee derde van de score bestaat uit ‘harde’ data, afkomstig van internationale en nationale organisaties en private instellingen. Het overige deel komt uit een enquête onder leidinggevenden, die hun oordeel geven over verschillende aspecten van concurrentiekracht.

Investeringen in R&D

Investeringen in onderzoek en ontwikkeling vormen een belangrijk onderdeel van de concurrentiekracht van landen. R&D-investeringen in nieuwe geneesmiddelen en vaccins dragen niet alleen bij aan het verdienvermogen van een land, maar ook aan innovatie van de zorg. Medische vooruitgang komt ten goede van patiënten, van het zorgstelsel en van de maatschappij.

 

R&D-intensiteit van de LSH-sector

De LSH-sector investeert, vergeleken met andere sectoren, een groot deel van haar netto-omzet in onderzoek en ontwikkeling, namelijk 13,4%. Volgens het EU-scorebord voor industriële R&D-investeringen 2025 investeerden bedrijven in deze sector in 2024 wereldwijd samen circa € 287 miljard in onderzoek en ontwikkeling.

De R&D-intensiteit van de LSH-sector is de hoogste van alle sectoren. De ICT Software en ICT Hardware sector volgen met R&D-investeringen van respectievelijk 10,9% en 8,2% van hun netto-omzet. Voor alle andere sectoren geldt een percentage van 5 of minder.

In absolute bedragen investeerden de ICT-sectoren wel meer in R&D dan de LSH-sector. Van de totale R&D-investeringen neemt de ICT Software sector 24,9% voor zijn rekening en de ICT Hardware sector 22,0%. De LSH-sector neemt de derde positie in, met 19,9% van de totale R&D-investeringen wereldwijd.

Hoewel ICT‑sectoren in absolute bedragen meer investeren, neemt de LSH‑sector met ongeveer één vijfde van alle R&D‑uitgaven wereldwijd een centrale positie in.

R&D-intensiteit per sector

R&D-investeringen als aandeel van de netto-omzet

Bron: The 2025 EU Industrial R&D Investment Scoreboard (Joint Research Center of the European Commissions)

Toelichting figuur: De cijfers zijn gebaseerd op de 2.000 grootste bedrijven ter wereld, gerangschikt naar hun wereldwijde investeringen in onderzoek en ontwikkeling. In het Engelstalige rapport wordt de sector ‘health’ genoemd en omvat het onder meer farmaceutische en biotechnologische bedrijven, producenten van medische hulpmiddelen en bedrijven die actief zijn in zorgtechnologie en zorgdiensten.

R&D-investeringen wereldwijd

De positie van Europa als innovatieregio staat onder druk. Door de sterke groei van de Amerikaanse en Chinese markt verschuiven de onderzoeks- en economische activiteiten in toenemende mate naar de Verenigde Staten en China.

In Europa zijn de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in de geneesmiddelensector tussen 2010 en 2022 gemiddeld met 4,4% per jaar gestegen, van €27,8 miljard naar €46,2 miljard. In diezelfde periode groeiden de R&D-uitgaven in de Verenigde Staten sneller, met gemiddeld 5,5% per jaar, van €30,7 miljard in 2010 naar €71,5 miljard in 2022.

In China groeiden de uitgaven aan farmaceutisch onderzoek en ontwikkeling vanaf een veel lager niveau. In absolute termen nam de groei een vergelijkbaar tempo aan als in Europa. Maar doordat het startpunt laag was, ligt de groei in procenten veel hoger. Tussen 2010 en 2022 stegen de Chinese R&D-uitgaven gemiddeld met 20,7% per jaar, van €1,7 miljard naar €14,8 miljard.

Europa investeert meer dan voorheen in farmaceutische R&D, maar andere regio’s investeren sneller. Daardoor verliest Europa terrein in de mondiale verhoudingen.

R&D-investeringen in de geneesmiddelensector per regio

2010 - 2022

R&D-investeringen in Nederland

In 2024 investeerde de farmaceutische industrie in Nederland circa 900 miljoen euro in onderzoek en ontwikkeling. Daarmee levert Nederland een substantiële bijdrage aan geneesmiddeleninnovatie in Europa. Op Europees niveau ging het in datzelfde jaar om bijna 52,4 miljard euro aan R&D-investeringen.

Nederland bleef met €900 miljoen aan private farmaceutische R&D‑investeringen wel achter bij landen als België (€5,7 miljard), Denemarken (€1,5 miljard) en Zwitserland (€9,6 miljard). De internationale vergelijking toont dat Nederland ten opzichte van andere welvarende Europese landen relatief weinig investeert in farmaceutische innovatie [1].

——–
[1] De toekomst voor de sector lifesciences in Nederland. Uitkomsten benchmark van het mondiale LSH-vestigingsklimaat in 2025. (KPMG, AmCham, 2025)

R&D-rendement

De opbrengsten van investeringen in farmaceutische innovatie nemen toe. Het gemiddelde rendement op R&D-investeringen (‘internal rate of return’, ofwel IRR) van de twintig grootste geneesmiddelenbedrijven is in 2024 gestegen naar 5,9 procent. Dat is 1,6 procentpunt hoger dan een jaar eerder, zo blijkt uit een analyse van Deloitte. Daarmee zet de positieve trend van vorig jaar door.

Opvallend is dat dit gebeurt terwijl de kosten voor onderzoek en ontwikkeling blijven stijgen. De hogere opbrengsten zijn vooral te danken aan veelbelovende nieuwe geneesmiddelen die zich in een late ontwikkelfase bevinden, en aan sterke resultaten uit klinisch onderzoek. Daardoor zijn de verwachtingen over hun toekomstige waarde toegenomen.

Klinische studies

Klinisch onderzoek is een belangrijke basis voor een sterk innovatieklimaat in Nederland. Een afname van het aantal klinische studies kan bijvoorbeeld wijzen op een minder aantrekkelijke thuismarkt voor nieuwe geneesmiddelen en vaccins. Als geneesmiddelen niet toegankelijk zijn, kunnen ze ook niet worden onderzocht en vergeleken met nieuwe innovaties. Dat raakt eerst de patiëntenzorg, maar heeft ook gevolgen voor kennisontwikkeling, investeringen en werkgelegenheid.

 

Aantal gestarte klinische studies in Nederland

Tussen 2015 en 2022 lag het totaal aantal klinische studies dat per jaar startte vrij consequent rond de 600, met een uitschieter in 2021 van 660 opgestarte studies. Ten opzichte van 2021 is dit aantal bijna gehalveerd. In 2025 werden er in Nederland nog maar 354 klinische studies opgestart.

De farmaceutische industrie neemt het overgrote deel van de klinische studies voor haar rekening. In 2025 zijn zeven op de tien klinische studies geïnitieerd door de industrie. Voor 2017 was dit aandeel iets hoger en werden acht van de tien klinische studies door de farmaceutische industrie geïnitieerd.

De studies die door de industrie worden geïnitieerd, volgen hetzelfde patroon als het totaal aantal klinische studies: van 469 in 2015, via een piek van 481 in 2021, naar bijna een halvering (251 studies) in 2025.

Aantal studies dat per jaar is gestart in Nederland

Door de industrie geïnitieerd onderzoek en overige studies, 2015 - 2025

Bron: Citeline Trailtrove database (geraadpleegd: januari 2026)

Aantal klinische studies per miljoen inwoners per land

Het aantal klinische studies dat in Europa wordt uitgevoerd, loopt terug. Tussen 2015 en 2020 is het aantal klinische studies per miljoen inwoners elk jaar redelijk vergelijkbaar. In 2021 is in alle landen een piek te zien in het aantal klinische studies. En vanaf 2022 valt het aantal klinische studies structureel terug.

Nederland laat één van de scherpste dalingen zien ten opzichte van andere West-Europese landen. In 2021 werden 37,8 studies uitgevoerd per miljoen inwoners. En in 2025 is dat aantal met ongeveer 48% gedaald naar 19,6 studies per miljoen inwoners.

België laat een vergelijkbaar patroon zien, maar het buurland vertrekt vanaf een hoger niveau. In 2021 voerde België 52,1 klinische studies uit per miljoen inwoners, in 2025 nog maar 28,7 (45% minder). Denemarken blijft over de hele periode koploper, al neemt ook daar het aantal studies na 2021 duidelijk af: van 68,3 studies per miljoen inwoners naar 43,3 in 2025 Dat betreft een daling van 36,6%.

West-Europese landen, zoals Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, laten eveneens een vergelijkbare trend zien. Maar in deze landen is het aantal klinische studies per miljoen inwoners aanmerkelijk lager. In Duitsland was het aantal studies per miljoen inwoners 12 in 2021. Dat aantal is in 2025 nog maar 7,6 (36,7% minder). In Frankrijk en het VK zijn de aantallen vergelijkbaar.

In West-Europa blijft het aantal klinische studies per miljoen inwoners wel aanmerkelijk hoger dan in andere Europese landen. Het Europese gemiddelde ligt in 2025 op 3,4 studies per miljoen inwoners. Maar ten opzichte van andere, vergelijkbare Europese landen verliest Nederland sinds 2022 snel terrein.

Aantal studies per miljoen inwoners dat per jaar is gestart

Nederland en 4 andere Europese landen, 2015-2025

Toelichting:
Aantal klinische studies (fase I t/m IV) in de oncologie per miljoen inwoners in enkele Europese landen.

Bronnen:
Citeline Trailtrove database (geraadpleegd: januari 2026)
Bevolkingsaantallen Europese landen (Database Verenigde Naties, geraadpleegd: januari 2026)

Aantal oncologische klinische studies per miljoen inwoners

Het aantal klinische studies binnen de oncologie neemt in Europa af. In de periode 2015 tot en met 2020 blijven de aantallen per miljoen inwoners in de verschillende landen grotendeels op hetzelfde niveau. In 2021 is in alle landen een duidelijke toename zichtbaar. Daarna volgt vanaf 2022 een aanhoudende daling van het aantal oncologische studies.

Ook binnen de oncologie valt Nederland op door een relatief sterke afname ten opzichte van andere West‑Europese landen. In 2021 ging het om 11,6 oncologische klinische studies per miljoen inwoners. In 2025 is dit teruggelopen naar 6,7 studies per miljoen inwoners, een afname van ruim 40%.

België laat een vergelijkbare ontwikkeling zien, maar start vanuit een hoger uitgangspunt. In 2021 werden daar 18,1 oncologische studies per miljoen inwoners uitgevoerd. In 2025 is dit aantal gedaald naar 10,6, wat neerkomt op een daling van ongeveer 41%. Denemarken blijft ook binnen de oncologie het land met de meeste studies per miljoen inwoners. Wel is ook daar sprake van een duidelijke afname na 2021, van 19,0 naar 11,7 studies per miljoen inwoners in 2025. Dat betreft een daling van circa 38%.

In andere West‑Europese landen, waaronder Duitsland, is eenzelfde richting zichtbaar. Het aantal oncologische klinische studies per miljoen inwoners ligt daar echter aanzienlijk lager. In Duitsland daalde het aantal studies van 3,6 per miljoen inwoners in 2021 naar 2,6 in 2025; een afname van bijna 30%.

Binnen Europa blijven West‑Europese landen vooroplopen in klinisch onderzoek binnen de oncologie. Het Europese gemiddelde in 2025 is 1 studie per miljoen inwoners. Tegelijk laten de cijfers zien dat Nederland sinds 2022 ook binnen dit belangrijke onderzoeksgebied steeds verder achteropraakt ten opzichte van vergelijkbare landen.

Aantal studies in de oncologie per miljoen inwoners dat per jaar is gestart

Nederland en 4 andere Europese landen, 2015-2025

Toelichting: Aantal klinische studies (fase I t/m IV) in de oncologie per miljoen inwoners in enkele Europese landen.

Bronnen:
Citeline Trailtrove database (geraadpleegd in januari 2026)
Bevolkingsaantallen Europese landen (Database Verenigde Naties, geraadpleegd: januari 2026)

Aandeel klinische studies per regio

Europa verliest duidelijk terrein ten opzichte van andere regio’s voor wat betreft klinisch onderzoek. In 2011 werd 34,0% van alle klinische studies opgestart in Europa. In 2024 is dat aandeel met 14,2 procentpunt gezakt naar 19,8%.

In diezelfde periode nam het aandeel klinische studies dat in Azië werd opgestart juist sterk toe; van 35,6% in 2011 naar 57,6% in 2024. Dat betekent een stijging van 22,0 procentpunt. Inmiddels worden per jaar dus drie van de vijf klinische studies in Azië opgestart.

Tien jaar geleden werden in zowel Europa als Azië nog één op de drie studies opgestart. Maar vanaf 2015 zijn de twee werelddelen elk jaar verder uit elkaar gaan lopen; het aandeel in Europa daalde gestaag en in Azië steeg het drastisch.

Ook in Amerika is het aandeel klinische studies dat in een jaar wordt opgestart sterk teruggelopen in de afgelopen jaren. In 2010 werd nog bijna de helft (45,6%) van de wereldwijde studies opgestart in Amerika. Dit daalde met 22,2 procentpunt naar 23,4% in 2024. Het aandeel klinische studies dat in Amerika wordt opgestart, ligt nog wel hoger dan in Europa.

Klinisch onderzoek verschuift dus van West naar Oost. De oorzaken van die verschuiving zijn zowel politiek als economisch. Bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek in de VS, een onrustig politiek klimaat en aantrekkelijkere voorwaarden elders. Landen als China en India investeren strategisch, bieden lagere kosten, snellere procedures en kunnen dankzij grote populaties sneller patiënten includeren [1].

[1] From the US to China and India: the power shift in clinical trials (British Medical Journal, 2026)

Aandeel gestarte klinische studies per regio, per jaar

2010 – 2024

Bron: Citeline Trailtrove database (geraadpleegd in januari 2026)