Geneesmiddelen spelen een belangrijke rol bij het behandelen, beheersen en voorkomen van ziekten. Door medische en technologische vooruitgang kunnen steeds meer patiënten leven met minder klachten en een betere kwaliteit van leven. Daarmee dragen geneesmiddelen direct bij aan het dagelijks functioneren en welzijn van patiënten.
In Nederland leven ongeveer 10,9 miljoen mensen met één of meer chronische aandoeningen. Dat is circa 60% van de bevolking. Van deze groep hebben naar schatting 6,1 miljoen mensen twee of meer aandoeningen.
Het risico op chronische ziekten neemt toe met de leeftijd. Bij 85-plussers heeft vrijwel iedereen (96%) minstens één chronische aandoening. Door vergrijzing en betere diagnostiek blijft het aantal mensen met een chronische aandoening de komende jaren naar verwachting verder stijgen.
Een aantal aandoeningen komt zeer vaak voor. Zo hebben bijna 1,2 miljoen diabetes, van wie ruim 90% diabetes type II. Het aantal mensen dat de diagnose krijgt, daalt. In 2024 kregen ongeveer 54.000 mensen deze diagnose. Diabetes type II komt vooral voor op latere leeftijd.
Ruim een half miljoen mensen hebben COPD (chronische bronchitis en longemfyseem). De aandoening komt vooral voor bij mensen die ouder zijn dan 50 jaar. Het aantal mensen dat met COPD bekend is bij de huisarts is door de jaren heen licht aan het dalen.
En er zijn ongeveer 700.000 mensen met kanker. Het aantal nieuwe diagnoses per jaar is vrij stabiel, rond 130.000. Kanker komt vooral voor bij oudere mensen. In 2024 was ruim de helft van alle nieuwe patiënten 70 jaar of ouder; 1% was jonger dan 30 jaar.
De cijfers over dementie lopen iets uiteen. Er wordt geschat dat tussen de 257.000 en 310.000 mensen dementie hebben. Alzheimer Nederland gaat uit van dat laatste cijfer. Het aantal mensen met dementie neemt sterk toe met de leeftijd, maar de ziekte komt ook voor bij jongere mensen. Meer vrouwen dan mannen hebben de diagnose dementie.
Naar schatting hebben 283.000 mensen reuma. De aandoening komt in alle leeftijdscategorieën vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Het aantal mensen met reuma neemt toe met de leeftijd. In de periode 2011-2024 halveerde het aantal door de huisarts nieuw gediagnosticeerde gevallen van reumatoïde artritis.
Eén op de tien mensen hebben een hart- en vaatziekte (HVZ): ruim 1,7 miljoen. Denk onder meer aan hartritmestoornissen, een beroerte en hartfalen. Er zijn meer mannen dan vrouwen gediagnosticeerd met een hart- en vaatziekte en onder de vijftig jaar komen ze relatief weinig voor.
Al deze aandoeningen vragen vaak om langdurige behandeling en monitoring. Geneesmiddelen maken daarbij doorgaans deel uit van de standaardzorg.
Bronnen:
Aantal mensen met diabetes mellitus (VZinfo.nl)
Aantal mensen met COPD (VZinfo.nl)
Aantal mensen met kanker (VZinfo.nl)
Aantal mensen met dementie (VZinfo.nl)
Aantal mensen met reuma (VZinfo.nl)
Aantal mensen met hart- en vaatziekten (VZinfo.nl)
Bijna tweederde (64%) van de bevolking gebruikt geneesmiddelen. Dit betreft meer dan 11,5 miljoen mensen. Het medicijngebruik neemt toe naarmate men ouder wordt. In de jongste leeftijdscategorie, van nul tot vijftien jaar, gebruikt minder dan de helft (45%) geneesmiddelen.
Naarmate mensen ouder worden, hebben zij vaker één of meer chronische aandoeningen. Daardoor is het aantal mensen dat geneesmiddelen gebruikt ook groter in de oudere leefstijdscategorieën. In de groep 45 tot 55-jarigen gebruikt tweederde (65%) één of meer geneesmiddelen. En bij 75-plussers gaat het om negen op de tien mensen (90%).
Ten opzichte van de hele bevolking is het aandeel mensen dat geneesmiddelen gebruikt licht gestegen sinds 2020. Toen gebruikte 62,8% van de mensen in Nederland één of meer geneesmiddelen. Dat betekent een toename van 1,2 procentpunt.
Medicatie kan klachten verminderen, beperkingen verkleinen en bijdragen aan een betere kwaliteit van leven. In bepaalde gevallen zijn geneesmiddelen levensverlengend of zelfs levensreddend.
Het aantal mensen dat geneesmiddelen gebruikt, neemt toe. In 2024 gebruikten 11.848.000 mensen extramurale geneesmiddelen. Dat is 6,4% meer dan in 2020. Het aantal mensen dat intramurale geneesmiddelen ontving, steeg in 2024 naar 439.964. Dat is een toename van 37,6% sinds 2020.
De belangrijkste verklaring hiervoor is de vergrijzing. Naarmate mensen ouder worden, hebben zij vaker één of meer chronische aandoeningen en gebruiken zij gemiddeld meer geneesmiddelen. Daarnaast worden aandoeningen door betere diagnostiek eerder herkend en vaker behandeld. Ook zijn er meer behandelmogelijkheden beschikbaar, waaronder gespecialiseerde geneesmiddelen die vooral in ziekenhuizen worden ingezet.
Toelichting figuur: De aantallen over 2023 en 2024 zijn op het moment van publicatie nog voorlopig. Omdat één persoon gebruik kan maken van meerdere geneesmiddelen uit verschillende categorieën, wijkt het totaal aantal gebruikers af van de som van de afzonderlijke categorieën. De intramurale geneesmiddelen betreffen enkel de add on-geneesmiddelen, omdat de DBC-geneesmiddelen niet als aparte groep inzichtelijk zijn in publieke data.
Bronnen:
Aantal gebruikers van add on-geneesmiddelen (Zorgcijfersdatabank.nl)
Aantal gebruikers van extramurale geneesmiddelen (Zorgcijfersdatabank.nl)
De levensverwachting bij geboorte neemt geleidelijk toe in Nederland. Sinds 1950 is de gemiddelde levensverwachting bij geboorte ruim tien jaar gestegen: van 71,5 (1950) naar 81,9 jaar (2024). De stijging van de levensverwachting hangt samen met een lagere sterfte op veel leeftijden.
In vergelijking met andere Europese landen ligt in Nederland de levensverwachting bij geboorte iets boven het Europese‑gemiddelde. Dat komt doordat Nederlandse mannen gemiddeld langer leven dan mannen in Europa. Nederlandse vrouwen hebben een iets langere levensverwachting dan het Europese gemiddelde voor vrouwen. Op 65‑jarige leeftijd ligt de levensverwachting in Nederland onder het Europese gemiddelde, vooral door de lagere levensverwachting van vrouwen.
Geneesmiddelen en vaccins dragen bij de gestegen levensverwachting, onder meer via preventie, vroege opsporing en betere behandeling van infectieziekten en chronische aandoeningen. Daarnaast hebben betere hygiëne, hogere welvaart en verbeterde voeding historisch een belangrijke rol gespeeld. De toename van de levensverwachting is daarmee het resultaat van een brede combinatie van medische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Volgens een prognose van het CBS zal de levensverwachting de komende jaren blijven toenemen dankzij een verdere verbetering van diagnose, behandeling en zorg op hoge leeftijd. Wie in 2025 is geboren, heeft een gemiddelde levensverwachting van 82 jaar. In 2070 is dat toegenomen naar gemiddeld 89 jaar.
De levensverwachting van mannen blijft achter bij de levensverwachting van vrouwen, ook in de komende jaren. Voor mannen die in 2025 zijn geboren geldt een prognose van 80,5 jaar, toenemend naar 87,5 jaar in 2070. Vrouwen die in 2025 hebben een gemiddelde levensverwachting van 83,2 jaar, oplopend jaar 90,6 jaar in 2070.
Mannen worden gemiddeld minder oud dan vrouwen door een combinatie van biologische en gedragsmatige factoren. Vrouwen hebben vaak een licht beschermend voordeel door hormonen, een sterker immuunsysteem en genetische kenmerken.
Mannen lopen gemiddeld vaker risico’s, zoals gevaarlijk werk, meer roken, meer alcoholgebruik en vaker onveilige leefgewoonten. Ook komen hart- en vaatziekten en andere chronische aandoeningen bij mannen gemiddeld vaker of eerder voor.
Het aantal mensen dat jaarlijks overlijdt aan diabetes daalt al jaren. Dit hangt voor een belangrijk deel samen met betere behandelopties, zoals GLP‑1‑agonisten en SGLT2‑remmers, aangevuld met verbeterde glucosebewaking en vroegtijdige opsporing. Hierdoor leven mensen met diabetes tegenwoordig gemiddeld zes jaar langer dan begin jaren 2000.
COPD was in 2024 verantwoordelijk voor ruim 4% van de sterfgevallen. De sterfte ligt in Nederland boven het Europese gemiddelde en is, met uitzondering van de coronajaren, relatief stabiel rond 40 per 100.000 inwoners. Dit is gerelateerd aan de vergrijzing en het progressieve karakter van de ziekte. Medicatie kan klachten verlichten, maar remt het verlies van longfunctie niet.
In 2024 overleed één op de tien mensen aan de gevolgen van dementie. Het merendeel van deze mensen was 75 jaar of ouder. Mensen overlijden aan dementie omdat zij niet meer kunnen eten of drinken, slikstoornissen ontwikkelen, of een luchtweg- of urineweginfectie oplopen. De sterfte neemt toe door de vergrijzing, een betere registratie en het ontbreken van curatieve behandelingen voor alzheimer.
Het aantal mensen dat reuma als onderliggende doodsoorzaak heeft, is al jaren vrij stabiel. Zo rond de 1 op 100.000 mensen overlijden jaarlijks aan deze aandoening. Betere behandelingen (DMARDs, biologics, JAK-remmers) hebben complicaties en comorbiditeiten verminderd, maar reuma blijft een risicofactor voor infecties en aandoeningen van hart, vaten en nieren.
De sterfte aan hart‑ en vaatziekten is sinds 1980 meer dan gehalveerd, onder meer door betere medicatie (zoals statines en antihypertensiva), snellere acute zorg en geavanceerde interventies (zoals dotterbehandelingen). Ook de overleving na een beroerte is sterk verbeterd: het sterftecijfer door herseninfarcten is sinds 2000 met ruim 40% gedaald.
In 2024 stierf meer dan één op de vier mensen aan een vorm van kanker. Doordat het aantal mensen met kanker toeneemt, stijgt het absolute aantal sterfgevallen nog elk jaar. Tegelijkertijd daalt het relatieve aantal sterfgevallen sinds de jaren negentig gestaag, vooral onder mannen. Dat betekent dat kanker, relatief gezien, minder vaak dodelijk wordt.
Ook de vijfjaarsoverlevingskans bij veel soorten kanker blijft toenemen. Gemiddeld stijgt de overleving van kankerpatiënten jaarlijks met bijna één procentpunt. Volgens de meest recente cijfers is 70% van de patiënten vijf jaar na de diagnose nog in leven.
Deze verbetering hangt samen met de inzet van nieuwe therapieën, zoals immunotherapie, doelgerichte behandelingen en precisiegeneeskunde, en met verbeteringen in de zorginfrastructuur. Hierdoor ligt de vijfjaarsoverleving bij veel kankersoorten inmiddels tussen de 66 en 70%, ondanks de stijgende incidentie door vergrijzing. Voor sommige vormen van kanker, zoals huid-, prostaat-, borst- en schildklierkanker, is de ziekte in veel gevallen een chronische aandoening geworden. De vijfjaarsoverleving van huidkanker bedraagt zelfs 94%.
Naar verschillende kankersoorten wordt bovendien veel onderzoek gedaan en er zijn nieuwe geneesmiddelen in ontwikkeling. Dat draagt bij aan verdere verbetering van behandelmogelijkheden en vooruitzichten voor patiënten.
Bron: Relatieve overleving, Overleving vanaf diagnose (NKR)
Toelichting figuur: Relatieve overleving per jaar vanaf de diagnose. Leeftijdsstandaardisatie is toegepast volgens ICSS-indeling.
Vaccinatie helpt infectieziekten voorkomen en ziekte beperken. Wereldwijd voorkomt vaccinatie jaarlijks naar schatting 3,5 tot 5 miljoen sterfgevallen. In de afgelopen vijftig jaar zijn maar liefst 154 miljoen levens gered van kinderen en volwassenen [1].
In Nederland beschermt het Rijksvaccinatieprogramma al bijna 70 jaar tegen ernstige infectieziekten. Sinds de start zijn naar schatting 6.000 tot 12.000 sterfgevallen in deze doelgroep voorkomen, met name door vaccinaties tegen difterie, kinkhoest, tetanus, polio en mazelen [2].
Bepaalde ziekten, zoals polio, difterie en rubella, komen (zo goed als) niet meer voor in ons land. En dankzij de groepsimmuniteit als gevolg van vaccinaties zijn er geen grote uitbraken van bijvoorbeeld mazelen en hepatitus B meer geweest.
Sinds 2010 zit er ook een vaccin tegen het humaan papillomavirus (HPV) in het Rijksvaccinatieprogramma. Meestal ruimt het lichaam dit virus zelf op, maar bij 10 tot 20% van de mensen gebeurt dat niet. Als het virus de cellen beschadigt, kan er na 10-15 jaar kanker ontstaan. HPV-vaccinatie blijkt zeer effectief in het voorkomen van HPV-infecties en (voorstadia van) baarmoederhalskanker.
Naast het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen en tieners zijn er aanvullende vaccinatieprogramma’s voor volwassenen, met name voor 60‑plussers. Deze programma’s omvatten bijvoorbeeld vaccins tegen pneumokokken, griep, covid‑19 en gordelroos. De vaccins verlagen de kans dat mensen een infectie krijgen of voorkomen dat zij er ernstig ziek van worden.
Daarnaast helpt vaccinatie het gebruik van antibiotica te verminderen, wat belangrijk is om antibioticaresistentie tegen te gaan. Aangezien inmiddels 1 op de 6 infecties wereldwijd resistent is tegen antibiotica, oplopend tot 1 op de 3 urineweginfecties, is dat steeds urgenter [3].
——
[1] Contribution of vaccination to improved survival and health: modelling 50 years of the Expanded Programme on Immunization (The Lancet, WHO)
[2] Vaccinaties voorkomen duizenden sterfgevallen (RIVM.nl)
[3] Global antibiotic resistance surveillance report 2025 (WHO)
Bronnen:
Vaccinaties (RIVM.nl)
Ziekten in Rijksvaccinatieprogramma (VZinfo.nl)
Door passende inzet van geneesmiddelen kan de gezondheid en kwaliteit van leven van mensen verbeteren. Dat leidt onder andere tot minder ziekenhuisopnames, kortere verblijven en meer zorg buiten het ziekenhuis. Hierdoor kan de capaciteit van zorgmedewerkers en ziekenhuizen efficiënter worden ingezet. Dit perspectief wordt steeds belangrijker, zeker nu er nieuwe cel‑ en gentherapieën zijn die ziekten niet alleen behandelen, maar in sommige gevallen ook kunnen genezen.
Vaccins helpen ziekenhuisopnames te voorkomen. Ze versterken het afweersysteem, waardoor de kans kleiner wordt dat mensen ernstig ziek worden en ziekenhuiszorg nodig hebben.
Dit effect is zichtbaar bij verschillende infectieziekten. Zo leidt vaccinatie tegen het rotavirus bij jonge kinderen tot 93% minder ziekenhuisopnames [1]. Na de invoering van het vaccin voor zuigelingen tegen het RS-virus daalde het aantal IC-opnames van 178 naar 43 (75%) [2]. Bij griep verlaagt vaccineren van zestigplussers en risicogroepen de kans op ziekenhuisopname met ongeveer 40% [3].
Ook tijdens de COVID‑19‑pandemie bleek vaccineren effectief. Bij mensen van 75 jaar en ouder bood vaccinatie na twee doses gemiddeld 94% bescherming tegen ziekenhuisopname [4].
Daarnaast verkleint vaccinatie de kans op opname bij pneumokokkenziekte [5], maar het is niet mogelijk om dat in één gemiddeld percentage uit te drukken. De kans op opname verschilt namelijk per persoon en afhangt van factoren zoals leeftijd, andere ziekten, het type vaccin en welke pneumokokken op dat moment rondgaan.
Door ziekenhuisopnames te voorkomen, verlichten vaccinaties de druk op de zorg. Dit vergroot de beschikbare capaciteit en draagt bij aan toegankelijke en continue zorg.
——-
[1] Rotavirusvaccinatie (RIVM.nl)
[2] Fors minder baby’s op de IC’s dankzij prik tegen RS-virus (RIVM.nl)
[3] Griepprik (RIVM.nl)
[4] Effectiviteit en impact van COVID-19-vaccinatie bij ouderen in Nederland (RIVM.nl)
[5] Prik tegen pneumokokken voor volwassenen (RIVM.nl)
Naast vaccinatie kunnen ook tijdige behandelingen bijdragen aan minder ziekenhuiszorg. Passende inzet van geneesmiddelen kan ziekenhuisopnames voorkomen, de ligduur verkorten of het aantal zorgcontacten verminderen.
Een Belgische studie laat zien dat geneesmiddelen die na 1999 zijn geïntroduceerd samenhangen met een afname van circa twintig procent van het aantal ziekenhuisdagen [1]. Dat de inzet van geneesmiddelen zo’n twintig procent van de ziekenhuisdagen kunnen voorkomen, is volgens de auteur van de studie waarschijnlijk een voorzichtige schatting. Ook oudere geneesmiddelen dragen namelijk bij aan dat effect.
In Nederland waren er in 2023 1,4 miljoen klinische opnames [2] met een gemiddelde ligduur van 5,1 dagen [3]. Dat komt neer op ongeveer 7,1 miljoen ziekenhuisdagen. Vertalen we de Belgische studie door naar de Nederlandse context, dan zou het aantal ziekenhuisdagen zonder de inzet van geneesmiddelen twintig procent hoger zijn: circa 8,9 miljoen dagen. Daarmee leidt het gebruik van geneesmiddelen naar schatting tot een besparing van ongeveer 1,8 miljoen ziekenhuisdagen.
Bronnen:
Verlaging van het personeelstekort in de zorg (PwC, 2022)
Veilig opschalen van alternatieve toediening kankermedicatie (PW, 2026)
Ook praktijkvoorbeelden uit een studie van PwC [2] laten zien dat andere, betere en passende inzet van geneesmiddelen en vaccins de benodigde inzet van zorgpersoneel kunnen verminderen.
Bij reuma heeft de inzet van TNF‑alpha‑remmers geleid tot betere ziektecontrole en minder ernstige ziekteprogressie. Hierdoor is zorg verschoven van langdurige klinische behandeling naar poliklinische zorg. Waar patiënten in de jaren tachtig gemiddeld nog ongeveer 200 dagen per jaar in het ziekenhuis lagen, is ziekenhuisopname tegenwoordig vaak niet meer nodig. Sinds de introductie van deze middelen is het aantal ligdagen met circa 350.000 per jaar afgenomen.
Ook bij antistollingszorg is de benodigde ziekenhuiszorg verminderd. Door de introductie van direct orale anticoagulans (de zogeheten DOAC’s) is het risico op ernstige complicaties lager en is frequente controle bij de trombosedienst niet meer nodig. In 2021 gebruikte ongeveer twee derde van de 570.000 gebruikers van orale antistolling een DOAC. Dit hangt samen met een afname van ongeveer 760.000 controles per jaar.
Mensen die in het ziekenhuis liggen met een ernstige infectie worden doorgaans behandeld met antibiotica. Switchtherapie betekent dat een antibioticum wordt omgezet van toediening via een infuus door verpleegkundigen naar orale toediening, meestal in tabletvorm. Bij de meeste patiënten met een ernstige infectie die in eerste instantie een infuus nodig hebben, is deze overstap al na 24 tot 48 uur mogelijk. Een vroege overstap is patiëntvriendelijker en leidt tot kortere ziekenhuisopnames, met een verkorting van de ligduur van 9 tot 16%.
Ook bij behandelingen tegen kanker kan een andere manier van toedienen leiden tot minder ziekenhuiszorg. Onderzoek van onder meer het Spaarne Gasthuis laat zien dat patiënten subcutane geneesmiddelen (injecties onder de huid) veilig zelf kunnen toedienen. In theorie kan daardoor meer dan 90% van deze middelen door patiënten zelf worden toegediend, in plaats van door een specialistische verpleegkundige in het ziekenhuis of bij de patiënt thuis.
Daarnaast toont onderzoek van het Erasmus MC aan dat bij infuusbehandelingen volgens het Connect & go‑principe de actieve verpleegkundige tijd vóór en na de infusie met 55% afneemt. Bij die behandeling is het infuus aangesloten op een mobiel systeem, waardoor patiënten zich tijdens de behandeling vrij kunnen bewegen in of buiten het ziekenhuis.
Bronnen:
Verlaging van het personeelstekort in de zorg (PwC, 2022)
Veilig opschalen van alternatieve toediening kankermedicatie (PW, 2026)
Naar verwachting nemen de tekorten op de arbeidsmarkt in de zorg in de komende jaren verder toe. In 2035 kan het tekort oplopen tot bijna 301.000 werkenden. Zelfs met arbeidsbesparend beleid blijft een tekort van circa 227.000 bestaan [1].
Onderzoek van PwC laat zien dat beter, anders en gepast gebruik van geneesmiddelen en vaccins kan bijdragen aan het verlichten van deze druk. Medische interventies, zoals vernieuwde reumamedicatie, COVID‑19‑vaccins en antistollingsmedicatie, leveren naar schatting een arbeidsbesparing op van 1.550 tot 1.800 voltijd werkenden. Daarnaast hebben bewezen, maar nog niet breed toegepaste interventies een aanvullend arbeidsbesparend potentieel van 2.500 tot 4.500 fte.
Samen kunnen deze interventies het huidige tekort met 8 tot 14% verminderen. Bij verdere groei van het aantal patiënten kan de arbeidsbesparing oplopen tot 6.000 voltijd werkenden in 2031 [2].
——–
Bronnen:
[1] Kamerbrief: Arbeidsmarktprognose zorg en welzijn 2025 (Ministerie van VWS)
[2] Verlaging van het personeelstekort in de zorg (PwC, 2022)
Gezondere mensen hebben minder zorg nodig. Daardoor kan gepast gebruik van geneesmiddelen en vaccins, onder de juiste omstandigheden, ook leiden tot lagere zorgkosten.
Een Belgische studie laat zien dat het gebruik van geneesmiddelen samenhangt met een afname van circa twintig procent van het aantal ziekenhuisdagen [1]. Als dit percentage wordt doorvertaald naar Nederland, dan komt dit neer op een besparing van ongeveer 1,8 miljoen ziekenhuisdagen in 2023 [2, 3] (zie paragraaf 2.2b).
De gemiddelde kosten per ziekenhuisdag bedragen €644, inclusief personeelskosten [4]. Deze kosten vermenigvuldigd met de voorkomen ziekenhuisdagen wijzen op een geschatte besparing van ongeveer €1,15 miljard per jaar. Omdat de kosten bij complexe zorg hoger liggen, is dit waarschijnlijk een voorzichtige schatting [1].
Bronnen:
[1] Lichtenberg, F. R. (2025). The Long-Run Impact of Changes in Prescription Drug Sales on Mortality and Hospital Utilization in Belgium, 1998–2019. Econometrics, 13(3), 25.
[2] Aantal klinische opnamen met één of meer verpleegdagen in 2023 (Statline CBS)
[3] Gemiddelde verpleegduur voor klinische opnamen in 2023 (Statline CBS)
[4] Kostenhandleiding voor economische evaluaties in de gezondheidszorg: methodologie en referentieprijzen (Zorginstituut Nederland, 2024)
De geneesmiddelensector levert een brede maatschappelijke bijdrage. Naast het verbeteren van gezondheid draagt de sector bij aan werkgelegenheid, economische activiteit en innovatie. Investeringen in onderzoek, ontwikkeling en productie versterken het kennisniveau en het verdienvermogen van Nederland. Daarmee reikt het belang van de sector verder dan de zorg alleen.
De geneesmiddelensector creëert banen voor tienduizenden mensen. In totaal werken ruim 46.000 mensen in en rond de farmaceutische sector. Ongeveer 20.000 mensen werken direct bij farmaceutische bedrijven.
Van deze groep werken 10.400 medewerkers in de productie van geneesmiddelen. Zij voeren uiteenlopende taken uit, zoals productie, kwaliteitscontrole en procesondersteuning. Het opleidingsniveau binnen deze groep is divers. Drie op de vijf mensen volgden een mbo-opleiding, één op de vijf een hbo-opleiding en de overige twintig procent een universitaire opleiding.
De overige werkgelegenheid bestaat uit indirecte banen (zoals logistiek, grondstofleveranciers, laboratoria, IT en zakelijke diensten) en geïnduceerde banen die ontstaan doordat werknemers in de sector hun inkomen uitgeven in andere delen van de economie.
Bronnen:
The Pharmaceutical Industry in Figures Key Data 2025 (EFPIA)
Economic footprint of the pharmaceutical industry in Europe (EFPIA, 2024)
VIG Footprintstudie Geneesmiddelenproductie (KPMG, 2024)
Het uitvoeren van klinisch onderzoek dat door de geneesmiddelensector wordt gesponsord, levert Nederland in totaal zo’n 3.200 banen op. Klinische studies bieden rechtstreeks werk aan ongeveer 1.200 mensen in Nederland. De overige banen komen uit bredere toeleveringsketen (indirect: 1.000 banen) en worden gecreëerd door de afgeleide effecten (geïnduceerd: 1.000 banen).
In de hele Europese Economische Ruimte bieden klinische studies aan ongeveer 45.000 mensen werk. Dit aantal loopt op tot 165.000 banen in totaal wanneer de bredere toeleveringsketen en de afgeleide effecten worden meegerekend.
Behalve patiënten in een vroeg stadium toegang bieden tot nieuwe therapieën, leveren klinische studies dus ook waarde voor de economie.
Werknemers in de geneesmiddelensector leveren gemiddeld een hoge economische bijdrage. In Europa bedraagt de bruto toegevoegde waarde per werknemer €225.300. Dat is ruim drie keer zoveel als het gemiddelde in de Europese economie (ongeveer €60.000).
Ook vergeleken met andere kennisintensieve sectoren scoort de sector hoog. Ter vergelijking: in de financiële dienstverlening bedraagt de toegevoegde waarde per werknemer €175.800, in de telecommunicatie €164.100 en in softwareontwikkeling circa €75.100 per werknemer.
Een hogere toegevoegde waarde per werknemer betekent dat een baan meer economische ruimte oplevert, bijvoorbeeld voor loon, belastinginkomsten, investeringen of innovatie. De geneesmiddelensector hoort hiermee bij de meest productieve sectoren van Europa.
De economische bijdrage van de geneesmiddelensector wordt vaak gemeten in bruto toegevoegde waarde. Dat is de opbrengst na aftrek van alle ingekochte goederen en diensten. Het laat zien hoeveel waarde de sector zelf heeft toegevoegd met zijn eigen arbeid, kennis en kapitaal.
In 2024 bedroeg deze waarde voor de Nederlandse innovatieve farmaceutische industrie ongeveer €8,5 miljard. Volgens een schatting van Copenhagen Economics (2023) is circa tachtig procent van de bruto toegevoegde waarde van de farmaceutische industrie in de EU27 toe te schrijven aan innovatieve geneesmiddelen. Dit percentage betreft een EU-gemiddelde; specifieke cijfers voor Nederland zijn niet beschikbaar. Dat houdt in dat de bruto toegevoegde waarde van de gehele farmaceutische sector zo’n €10,6 miljard bedroeg.
De bruto toegevoegde waarde van de sector is sinds de jaren negentig sterk gegroeid, vooral in het laatste decennium. Deze groei hangt samen met een stijgende arbeidsproductiviteit.
Toelichting: De cijfers over 2024 zijn op het moment van publicatie nog voorlopig.
Bronnen:
Bruto toegevoegde waarde, gebaseerd op SBI-code C21 farmaceutische industrie (CBS Statline)
The economic impact of the pharmaceutical industry in Europe. Comparing the innovative and generic industries. (Copenhagen Economics, 2023)
Klinisch onderzoek dat door geneesmiddelenbedrijven wordt uitgevoerd, levert Nederland een bruto toegevoegde waarde van ruim €1,2 miljard op. Een deel daarvan, €423,5 miljoen, komt rechtstreeks voort uit de klinische studies zelf. Denk daarbij aan investeringen in onderzoek, personeel en faciliteiten.
Daarnaast ontstaat extra economische waarde doordat dit onderzoek ook werk en bestedingen oplevert bij toeleveranciers en andere betrokken partijen. Ook dragen klinische studies bij aan het voorkomen van ziektedagen, omdat patiënten eerder toegang krijgen tot nieuwe behandelingen.
Deze combinatie van effecten laat zien dat klinisch onderzoek niet alleen bijdraagt aan medische vooruitgang, maar ook aan de economie en de samenleving als geheel.
Naast de directe opbrengsten van klinisch onderzoek ontstaan er ook spill-over effecten van onderzoek en ontwikkeling. In Nederland gaat het daarbij om €98,3 miljoen aan extra toegevoegde waarde. Deze effecten ontstaan doordat kennis en ervaring uit klinisch onderzoek ook door andere bedrijven en sectoren worden benut.
Op Europees niveau wordt de totale waarde van deze spill-over effecten geschat op ongeveer €3,6 miljard binnen de Europese Economische Ruimte. De grootste bijdragen worden gezien in landen met veel onderzoeksactiviteiten, zoals België.
Het uitvoeren van klinisch onderzoek levert dus vernieuwing, meer kennis en extra groei in de economie op, ook buiten de geneesmiddelensector.
Toelichting: Het bedrag is berekend door het verschil te nemen tussen het maatschappelijke rendement en het directe rendement van onderzoek en ontwikkeling. Internationale studies laten zien dat dit verschil gemiddeld 20% bedraagt en staat voor kennis die ook door andere bedrijven wordt gebruikt. Dit percentage is toegepast op de O&O‑uitgaven die samenhangen met klinisch onderzoek (55%), en zo omgerekend naar extra toegevoegde waarde.
Elke euro die wordt geïnvesteerd in vroegtijdige opsporing en behandeling van niet‑overdraagbare ziekten levert volgens onderzoek een opbrengst op van 1,1 tot 4,9 euro. Deze uitkomst is gebaseerd op analyses van interventies bij aandoeningen zoals hart‑ en vaatziekten, diabetes, COPD en borstkanker.
De opbrengst bestaat uit lagere zorgkosten en hogere productiviteit doordat ziekte en vroegtijdige sterfte worden voorkomen. De cijfers laten zien dat investeren in vroege opsporing en behandeling duidelijke economische effecten heeft, zowel op de zorguitgaven als op de arbeidsparticipatie.
De resultaten zijn afkomstig uit doorgerekende voorbeelden en geven een bandbreedte weer. Ze beschrijven geen algemeen effect voor alle interventies, maar laten zien welke economische effecten in specifieke situaties zijn gevonden.
Toelichting: De bandbreedte is gebaseerd op drie concrete landencases (Portugal, Roemenië en Zweden), waarin specifieke interventies voor niet‑overdraagbare ziekten zijn doorgerekend. De opbrengst bestaat vooral uit productiviteitswinst en vermeden vroegtijdige sterfte, berekend met gezondheids‑ en economische modellen.
Het uitvoeren van klinische studies in Nederland leidt tot een verbeterde arbeidsproductiviteit ter waarde van €723,3 miljoen in 2025. Dit effect volgt uit het voorkomen van ongeveer 1,6 miljoen ziekteverzuimdagen. Klinische studies maken nieuwe behandelingen eerder beschikbaar voor patiënten. Hierdoor kunnen mensen sneller herstellen of langer blijven werken.
Op Europees niveau wordt geschat dat door klinische studies 26,9 miljoen ziektedagen zijn voorkomen binnen de Europese Economische Ruimte. Dit komt overeen met een bruto toegevoegde waarde van €10,4 miljard per jaar. De omvang van dit effect verschilt per land. Duitsland laat het grootste absolute effect zien, met 9,1 miljoen vermeden ziektedagen, goed voor €3,8 miljard aan toegevoegde waarde. Deze verschillen tussen landen houden verband met bevolkingsomvang en de mate waarin nieuwe behandelingen worden toegepast.
Toelichting: De berekening koppelt verbeteringen in arbeidsproductiviteit aan de snellere toepassing van behandelingen die via klinische studies zijn ontwikkeld. Daarbij is rekening gehouden met het aandeel van klinisch onderzoek dat door de industrie wordt uitgevoerd en met verschillen tussen landen.
De farmaceutische productie in Nederland bedroeg €7.328 miljoen. Daarmee staat Nederland op de twaalfde plaats in Europa. Hoewel de Nederlandse productie relevant is, ligt deze duidelijk lager dan in landen met grote farmaceutische productieclusters.
Landen als Ierland (€67.682 miljoen), Italië (€52.000 miljoen) en Zwitserland (€48.864 miljoen) kennen een aanzienlijk grotere productieomvang. Ook Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België en Frankrijk produceren meer. Wel produceert Nederland meer dan landen als Polen, Oostenrijk en Portugal. Nederland bevindt zich daarmee in de Europese middenmoot.
De totale farmaceutische productie in Europa bedraagt €405.701 miljoen. Een klein aantal landen neemt daarvan het grootste deel voor zijn rekening. De Nederlandse productie draagt bij aan een brede spreiding van productiecapaciteit binnen Europa.
Nederland heeft een positief handelsoverschot in farmaceutische producten. De export bedraagt €56.136 miljoen, tegenover een import van €44.373 miljoen. Het saldo komt daarmee uit op een overschot van €11.763 miljoen.
Een groot deel van deze export bestaat uit wederuitvoer. Producten komen binnen via Nederlandse logistieke knooppunten zoals de Rotterdamse haven en Schiphol. Na beperkte bewerking, verpakking of etikettering worden zij doorgevoerd naar andere Europese landen, zoals Duitsland, Frankrijk en Italië. Vaak gaat het om grondstoffen of halffabricaten uit landen zoals Ierland, België en de Verenigde Staten. Het handelsoverschot weerspiegelt dus vooral de sterke logistieke positie van Nederland.
Hoewel het totale productievolume in Nederland relatief klein is, heeft onze productie wel een belangrijke strategische waarde. In Nederland worden onder andere innovatieve en kennisintensieve therapieën geproduceerd, zoals CAR‑T‑behandelingen en immunotherapieën, die hoge eisen stellen aan technologie, kwaliteit en expertise.