De aantrekkingskracht van een kostprijsmodel is begrijpelijk. Het lijkt een rationeel instrument om te voorkomen dat overheden of zorgverzekeraars te veel betalen en om prijsonderhandelingen met geneesmiddelenbedrijven op een objectieve basis te voeren. Maar achter die schijnbare eenvoud gaat volgens Pomp een reeks structurele problemen schuil.
Pomp onderscheidt zeven hoofdzorgen over de werking van kostprijsmodellen bij de prijsstelling van nieuwe geneesmiddelen:
Die tekortkomingen maken KPM’s volgens Pomp zowel economisch als beleidsmatig ongeschikt voor de prijsbepaling van innovatieve geneesmiddelen.
Ook op praktisch niveau is prijsstelling op basis van een kostprijs-plus-model problematisch. Betrouwbare kostengegevens zijn vaak niet beschikbaar: geneesmiddelenontwikkeling is wereldwijd georganiseerd, met gedeelde infrastructuren, samenwerkingen en mislukte projecten. Daardoor zijn kostprijsberekeningen altijd gebaseerd op aannames, en worden prijzen of te hoog of te laag om de werkelijke kosten te dekken.
Sommige onderzoekers stellen voor om marges in een KPM te koppelen aan de mate van innovativiteit of klinisch voordeel, maar volgens Pomp zijn zulke differentiaties willekeurig en niet empirisch onderbouwd. Ook houden veel modellen geen rekening met de lange vertraging tussen investering en opbrengst. Dat leidt tot een onderschatting van de kapitaalkosten en dus tot prijzen die lager zijn dan economisch houdbaar.
Een ander probleem is de veronderstelling dat één mondiale kostprijs ook één mondiale prijs kan opleveren. Volgens Pomp is dat theoretisch en ethisch onjuist: prijsverschillen tussen rijke en armere landen zijn juist nodig om mondiale toegang mogelijk te maken. Een universele KPM-prijs zou solidariteit ondermijnen in plaats van bevorderen.
Zelfs bij serieuze pogingen tot implementatie blijken kostprijsmodellen methodologisch wankel en beleidsmatig onpraktisch. Pomp verwijst naar ervaringen in het Verenigd Koninkrijk en Japan, de enige landen die langdurig hebben geëxperimenteerd met een vorm van kostprijsregulering.
In het VK werd het model uiteindelijk afgeschaft vanwege de hoge uitvoeringslast en beperkte effectiviteit; in Japan bestaat het nog, maar worstelt men met onbetrouwbare kostengegevens en gebrek aan transparantie.
Volgens Pomp is het begrijpelijk dat beleidsmakers zoeken naar modellen die uitlegbaar en voorspelbaar zijn. Maar hij waarschuwt voor schijntransparantie in een systeem dat op papier eerlijk lijkt, maar in de praktijk verkeerde prikkels afgeeft. ‘Zelfs een goed bedoeld model kan averechts werken,’ aldus Pomp. ‘Wie de prijzen van de meest winstgevende geneesmiddelen baseert op kosten, ondermijnt geneesmiddelenontwikkeling.’ Volgens Pomp is een prijs die op kosten is gebaseerd geen maat voor maatschappelijke waarde.
De bevindingen van Pomp sluiten aan bij een bredere internationale discussie. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelde in 2020 dat prijsmodellen die uitsluitend op kostprijs zijn gebaseerd innovatie ontmoedigen en ‘geen duurzame betaalbaarheid of toegang [tot geneesmiddelen] garanderen’. De WHO pleit voor value-based pricing, oftewel: prijsstelling op basis van de maatschappelijke waarde van een behandeling.
Het rapport ‘Kostprijs-plus modellen: voor- en nadelen bij de prijsbepaling van geneesmiddelen’ werd in oktober 2025 opgesteld door gezondheidseconoom dr. Marc Pomp, op verzoek van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG).
Het document bespreekt zowel de theoretische achtergrond als internationale ervaringen, en vergelijkt de winstmarge-methode met de discounted cashflow-methode die in de financiële sector gebruikelijk is.