Toegankelijke zorg vraagt om keuzes die vandaag worden gemaakt, maar pas overmorgen hun volle effect laten zien. Dat geldt in het bijzonder voor innovatieve geneesmiddelen, waar beleid, investeringen en patiënttoegang nauw met elkaar samenhangen. De analyse van de ABPI onderstreept dat voorspelbaarheid daarbij geen abstract beleidsprincipe is, maar een randvoorwaarde voor stabiele en tijdige toegang tot zorg – een les die ook buiten het Verenigd Koninkrijk relevant is.
In het Verenigd Koninkrijk stond 2025 in het teken van een fundamentele discussie over de financiering van geneesmiddelen. Centraal daarin stond de Voluntary Scheme for Branded Medicines Pricing, Access and Growth (VPAG): een vrijwillige afspraak tussen overheid en bedrijfsleven die de groei van de totale geneesmiddelenuitgaven maximeert. Overschrijdingen van het afgesproken uitgavenkader worden via terugbetalingen gecompenseerd door fabrikanten.
Hoewel dit systeem is ontworpen om de Britse publieke gezondheidszorgdienst National Health Service (NHS) budgettaire zekerheid te bieden, pakte het in de praktijk anders uit. Doordat er in 2025 onverwacht grote overschrijdingen waren, vielen de vielen de terugbetalingen erg hoog uit, tot boven de 25 procent van de omzet van geneesmiddelenbedrijven. Die tegenvaller leidde tot onrust bij bedrijven, zorgpartijen en investeerders en gaf een knauw aan de voorspelbaarheid van de effecten van het geneesmiddelenbeleid.
Investeringsbeslissingen in geneesmiddelenonderzoek worden genomen in een internationale context. Landen concurreren om klinisch onderzoek, productiecapaciteit en de eerste introductie van nieuwe therapieën. Wanneer financiële kaders gaandeweg sterk fluctueren, wordt het lastiger om een land te positioneren als betrouwbare partner voor de lange termijn.
De ABPI zag dit effect niet alleen terug in kwalitatieve signalen, maar ook in concreet onderzoek onder haar leden. Uit de Medicines Impact and Investment Survey (MIIS) blijkt dat het overgrote deel van de bedrijven aangeeft dat hoge en volatiele terugbetalingspercentages een doorslaggevende factor zijn bij beslissingen over waar zij investeren en nieuwe geneesmiddelen lanceren. Ook de gehanteerde kosteneffectiviteitscriteria worden daarbij genoemd als bepalend voor de aantrekkelijkheid van een land.
Volgens de ABPI leidde deze onzekerheid ertoe dat bedrijven investeringen uitstelden of heroverwogen, waaronder klinisch onderzoek en vroege marktintroducties. In de praktijk verloor het Verenigd Koninkrijk daardoor terrein als voorkeursland voor de vroege beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen. Die verschuiving raakt uiteindelijk niet alleen het innovatieklimaat, maar ook patiënten en zorgprofessionals die wachten op nieuwe behandelopties.
‘Innovatie gedijt bij een heldere horizon’, zegt Carla Vos, algemeen directeur van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen. ‘De Britse situatie laat zien dat wanneer kostenbeheersing onvoorspelbaar wordt, dit onbedoeld kan doorwerken in de toegang tot nieuwe behandelingen. Stabiliteit is daarom geen luxe, maar een voorwaarde voor goede zorg.’
Nederland kent een ander stelsel dan het Verenigd Koninkrijk. Met instrumenten als de Wet geneesmiddelenprijzen (WGP), het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) en de zogenoemde ‘Sluis’ wordt gestuurd op betaalbaarheid en doelmatigheid. Dat zijn noodzakelijke keuzes in een zorgstelsel dat onder druk staat door vergrijzing, personeelstekorten en een groeiende zorgvraag.
Tegelijkertijd zijn de signalen uit het VK ook in Nederland herkenbaar. Wanneer procedures langer duren dan afgesproken, of wanneer bestaande kaders regelmatig ter discussie staan, ontstaat onzekerheid over de voorspelbaarheid van het beleid. Die onzekerheid raakt niet alleen bedrijven, maar kan ook doorwerken in de snelheid waarmee innovatieve geneesmiddelen hun weg vinden naar de praktijk.
Het gaat daarbij niet om het ter discussie stellen van kostenbeheersing als zodanig, maar om de vraag hoe deze zo kan worden ingericht dat zij zowel budgettaire rust biedt als vertrouwen op de lange termijn.
De Britse ervaring onderstreept dat kostenbeheersing en innovatiebeleid geen tegengestelden hoeven te zijn. Een sterke focus op incidentele besparingen kan op termijn juist averechts werken, wanneer het investerings- en innovatieklimaat daardoor structureel verzwakt.
In Nederland is breed erkend dat de Life Sciences & Health-sector een strategische rol speelt voor gezondheid, arbeidsmarkt en economie. Dat vraagt om beleid dat verder kijkt dan de prijs aan de kassa en ook oog heeft voor maatschappelijke opbrengsten, zoals vermindering van zorggebruik, behoud van arbeidsparticipatie en verlichting van de druk op zorgprofessionals.
Door bijvoorbeeld real-world data beter te benutten en afspraken te maken over voorspelbare doorlooptijden en beoordelingscriteria, kan worden gewerkt aan vergoedingsmodellen die zowel verantwoord als toekomstbestendig zijn.
Het Britse ‘jaar van onvolspelbaarheid’ is een waardevolle casus. Zij laat zien dat voorspelbaarheid een strategische randvoorwaarde is voor elk zorgstelsel dat toegankelijk en innovatief wil blijven. Wanneer beleid onverwacht beweegt, komt niet alleen het investeringsklimaat onder druk te staan, maar ook de tijdige toegang tot zorg.
‘We delen de verantwoordelijkheid voor een houdbaar zorgstelsel’, zegt Vos. ‘De lessen uit het Verenigd Koninkrijk nodigen uit om samen te kijken hoe kostenbeheersing en toegang tot innovatie hand in hand kunnen gaan. Door te kiezen voor voorspelbaar beleid, zorgen we dat patiënten ook in de toekomst kunnen rekenen op tijdige toegang tot passende zorg.’ De huidige herziening van het stelsel, om te komen tot een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen, is de kans om geleerde lessen uit andere landen direct toe te passen.