Farmaceutische bedrijven hadden in 2021 nog 92 antimicrobiële projecten in ontwikkeling hadden. Nu zijn dat er slechts 60; een daling van 35 procent in vijf jaar tijd. ‘Als je bedenkt dat inmiddels 1 op de 6 bacteriële infecties wereldwijd resistent is tegen antibiotica, oplopend tot 1 op de 3 bij urineweginfecties, dan is dat zeer zorgwekkend te noemen’, zegt Bertens.
De benchmark laat zien dat slechts een handvol grote bedrijven nog actief investeert in antimicrobiële middelen. Kleinere biotechbedrijven nemen het stokje over, maar die kampen met beperkte financiële middelen en weinig internationaal bereik. Van de 78 beoordeelde antibiotica-projecten zijn er slechts zeven die als ‘bijzonder veelbelovend’ worden bestempeld.
‘Die schaarste is problematisch’, zegt Bertens. ‘Als deze pijplijn verder opdroogt, verliezen we de basis van veel medische zorg. Zonder effectieve antibiotica worden levensreddende behandelingen, zoals chemotherapie of intensieve zorg, veel riskanter. En ook eenvoudige infecties kunnen dan levensbedreigend zijn.
Nieuwe antibiotica worden bewust spaarzaam voorgeschreven om resistentie te voorkomen, zeker in Nederland. Gezondheidsmatig logisch en terecht. Maar vanuit economisch oogpunt is het ongunstig. ‘Er is geen gezond verdienmodel’, aldus Bertens.
Hij legt uit: ‘Door het spaarzame voorschrijven zijn de opbrengsten laag, terwijl de ontwikkelkosten van nieuwe medicijnen hoog zijn. Dat zet een rem op onderzoek en op de bereidheid van bedrijven om jarenlang te investeren in middelen die misschien nooit worden terugverdiend. Dat zien we nu terug in de cijfers. Veel bedrijven trekken zich terug uit dit domein.’
De gevolgen van de krimpende pijplijn raken vooral landen met lage en middeninkomens. Daar komen resistente infecties relatief vaker voor en blijft de toegang tot nieuwe middelen vaak lang onzeker.
Voor kinderen is de situatie nóg complexer. Slechts 10 procent van recent ontwikkelde antibiotica heeft een pediatrisch label, terwijl juist jonge patiënten aangepaste formuleringen nodig hebben.
In vergelijking met veel andere Europese landen blijft het niveau van antibioticaresistentie in Nederland vooralsnog relatief laag. Toch duiken steeds vaker bacteriën op die tegen vrijwel alle beschikbare middelen bestand zijn. Zulke sterk resistente varianten worden met name aangetroffen bij mensen die eerder in een buitenlands ziekenhuis zijn behandeld.
‘Dergelijke infecties zijn lastig te bestrijden’, benadrukt Bertens. ‘Daarom is het belangrijk dat we ook hier in Nederland alert blijven op resistente bacteriën en ons voorbereiden op ergere scenario’s.’
Zowel de WHO als Europese beleidsmakers pleiten voor nieuwe verdienmodellen om de ontwikkeling van nieuwe antibiotica te stimuleren. Zo werkt de EU aan een overdraagbare exclusiviteitsvoucher. Daarmee worden ontwikkelaars van nieuwe antimicrobiële middelen beloond met een extra jaar octrooibescherming voor een ander geneesmiddel in hun portfolio. De voucher kan ook aan een ander bedrijf worden verkocht.
Volgens Bertens is dat een stap vooruit, maar zijn er nog vele nodig. ‘We moeten verder kijken dan alleen het ontwikkelen van nieuwe middelen. Er moet bijvoorbeeld ook een model komen om effectieve antibiotica op de markt te hóuden, zelfs als ze weinig worden voorgeschreven. Het Britse experiment kan daarvoor interessant zijn. Daar worden bedrijven volgens een soort abonnementsmodel betaald voor de beschikbaarheid van een middel, ongeacht het gebruik.’
De VIG ziet antibioticaresistentie dan ook als een gezamenlijke maatschappelijke opdracht van alle betrokken partijen in de zorg. Bertens: ‘AMR is niet langer een potentiële bedreiging aan de verre horizon. Het is een urgente realiteit. Alleen als we de risico’s en de verantwoordelijkheid delen tussen bedrijven, beslissers en beleidsmakers, kunnen we voorkomen dat behandelbare infecties opnieuw levensbedreigend worden.’
Verder lezen: