DEN HAAG, De toegang tot nieuwe kankergeneesmiddelen in Nederland gaat snel achteruit. In 2025 is nog maar 41% van de nieuwe oncologische middelen die de afgelopen vier jaar in Europa zijn toegelaten beschikbaar voor Nederlandse patiënten; vier jaar geleden was dat nog 80%. De gemiddelde wachttijd voor oncologische geneesmiddelen is in die periode verdubbeld: van 270 dagen in 2021 naar 525 dagen in 2025. Dat blijkt uit de nieuwste cijfers over de beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen in Europa in de Patients W.A.I.T. Indicator, jaarlijks samengesteld door onderzoeksinstelling IQVIA in opdracht van de Europese geneesmiddelenkoepel EFPIA.
Ook voor het totaal aan nieuwe geneesmiddelen zijn de wachttijden in Nederland opnieuw opgelopen: in 2025 duurde het gemiddeld 493 dagen voordat patiënten toegang hadden tot nieuwe medicijnen nadat ze zijn goedgekeurd door het Europese geneesmiddelenbureau (EMA). In totaal is 54% van de nieuwe, in Europa toegelaten geneesmiddelen beschikbaar in Nederland (2021: 70%).
‘Oplopende wachttijden raken niet alleen Nederlandse patiënten, maar ook de Nederlandse maatschappij en economie. Als artsen en patiënten langer moeten wachten op passende behandeling, kost dat gezondheid, tijd en productiviteit. Voor een welvarend land als Nederland is dit echt niet acceptabel’, zegt Mark Kramer, voorzitter van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG). ‘En als Nederland minder voorspelbaar wordt als afzetmarkt, zet dat ook druk op investeringen in innovatie. Bovendien droogt een belangrijke inkomstenbron van de uitstekende medische instellingen op.’
Over heel Europa bezien verslechtert de toegang tot nieuwe geneesmiddelen gestaag. Gemiddeld is in de EU 45% van de nieuwe geneesmiddelen beschikbaar; voor oncologie is dat 51%. De gemiddelde wachttijd in de EU bedraagt 597 dagen (alle geneesmiddelen) en 655 dagen voor oncologie. Nederland zit dus met een wachttijd van 493 dagen (alle nieuwe middelen) en 525 dagen (oncologie) nog onder het EU-gemiddelde, maar verliest terrein in de Europese ranglijsten. Daarin staat Nederland in 2025 op plaats 10 voor de wachttijd voor alle nieuwe middelen, en op plaats 14 voor geneesmiddelen tegen kanker. Wat betreft de beschikbaarheid van alle nieuwe geneesmiddelen staat Nederland op plaats 10, maar voor oncologische middelen op 22.
Na een Europese markttoelating door het EMA doorloopt een geneesmiddel in Nederland nog meerdere stappen voordat patiënten er toegang toe hebben. Fabrikanten dienen eerst een vergoedingsdossier in. Ze hebben er belang bij om dat zo snel mogelijk te doen, maar in de praktijk kan het enige tijd duren voordat zo’n dossier wordt ingediend en compleet is. Dat komt mede doordat beoordelaars aanvullende informatie kunnen opvragen die niet meteen beschikbaar is, bijvoorbeeld doordat vereisten in Nederland soms afwijken van die in andere landen. Soms wachten fabrikanten zelf om verschillende systemische of commerciële redenen met het indienen van een dossier. Sommige middelen kunnen in de zogeheten sluis worden geplaatst, afhankelijk van de gevraagde prijs en de (verwachte) budgetimpact. Daarna volgt de inhoudelijke beoordeling door het Zorginstituut, waarna het ministerie van VWS prijsonderhandelingen kan starten, en besluiten over opname in het verzekerde pakket.
Dat oplopende wachttijden een probleem zijn, is inmiddels breed onderkend. De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) vindt het daarom positief dat Nederland werkt aan modernisering van het vergoedingsstelsel via het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen. Wel zijn er zorgen over het huidige concept van het nieuwe stelsel: als de nadruk vooral komt te liggen op extra drempels en zwaardere eisen die steeds meer alleen in Nederland gelden, kan daardoor de wachttijd juist verder oplopen.
‘Nederland moet sneller en voorspelbaarder worden in de besluitvorming, zodat bewezen effectieve innovaties patiënten ook echt op tijd bereiken’, vindt Mark Kramer. ‘Omdat de nieuwste generaties geneesmiddelen steeds meer op maatwerk gericht zijn, duurt het langer om uitgebreid zicht te krijgen op de werking. Het is een gezamenlijke opgave om patiënten toch tijdig toegang te bieden tot die nieuwe middelen. Dat vergt een betere manier om met die toegenomen onzekerheid om te gaan. Laten we zorgen dat we met het nieuwe vergoedingsstelsel drempels wegnemen in plaats van erbij zetten.’